Is een missiedocument de oplossing?
In oktober van dit jaar was de eerste van drie regiobijeenkomsten waar met geïnteresseerden gesproken kon worden over de identiteit van vrijescholen mede op basis van een door het bestuur van de vereniging van vrijescholen opgestelde discussienota.
De als bijlage meegestuurde nota “project identiteit van vrijescholen” is door Annemarie Sijens opgesteld en na een aantal discussiebijeenkomsten bijgesteld.
Dit onderwerp is steeds meer van belang omdat vrijescholen in de pers steeds vaker onder vuur komen te liggen en er nu gekozen is voor een proactieve opstelling.
Sinds de Vereniging van vrijescholen met de staatssecretaris van onderwijs Mevr. Tineke Netelenbos in 1998 een overeenkomst heeft gesloten zijn alle middelbare vrijescholen verworden tot een schoolgemeenschap voor Vmbo-t, Havo en VWO. Het gevolg is ook dat reguliere examens moeten worden afgenomen en het eigen vrijeschoolleerplan steeds meer onder druk is komen te staan. Een groep kritische ouders die na tien jaar een evaluatie van dit zogenaamde project 2000 wilden houden werden hierin niet gesteund door de vereniging van vrijescholen.
In de nota komen de volgende vragen aan bod:
1. Wat verbindt en inspireert ons?
2. Hoe verwerkelijken wij de identiteit van vrijescholen?
3. Hoe realiseren we ons ideaal op aarde?
Vrijescholen of Waldorfscholen zoals ze in het buitenland worden genoemd vormen een aparte categorie in het bijzonder onderwijs waar ook andere vormen van vernieuwingsonderwijs zoals Jenaplan- , Montessori-, Freinet-,Deltaplanscholen en sinds kort Iederwijsscholen toe behoren. Rudolf Steiner heeft begin 1900 de grondslag gelegd voor deze onderwijssoort die de ontwikkeling van het kind vanuit een geesteswetenschappelijke achtergrond als uitgangspunt nam. Deze vorm van onderwijs zou alleen ontwikkelingsstof moeten bieden om het unieke individu uit te dagen en te stimuleren om naar eigen aanleg en vaardigheden tot ontwikkeling te komen. Onderwijs is daarmee een vorm van opvoedkunst en geen opvoedkunde.Steiner werkte ook vanuit de visie dat ieder kind in een notendop de gehele mensheidsontwikkeling doormaakt. Het onderwijs zou daar inhoudelijk opmoeten aansluiten.
Het vrijeschoolonderwijs spreekt ook de hele mens aan in denken, voelen en willen. Kunstzinnige vakken en ambachtelijke vaardigheden net net zo belangrijk als intellectuele vorming.
Tijdens de regiobijeenkomst die geleid werd door Jan Alfrink konden drie stellingen in werkgroepen bediscussieerd en daarna plenair teruggekoppeld worden.
De stellingen waren:
1. De identiteit van de vrijeschool kan slechts tot uitdrukking komen als het lukt om de antroposofie/geesteswetenschap zichtbaar te maken.
2. De identiteit van de vrijeschool kan alleen tot wasdom komen als de schoolbeweging ook in het onderwijsveld meer haar stem laat horen.
3. Hoe kan de identiteit van een vrije school betekenis krijgen als ze zich niet op het maatschappelijk/politieke veld beweegt.
Onder de vrij kleine groep van zo’n 20 deelnemers bevonden zich enkele leerkrachten maar vooral oud-ouders en oud-bestuursleden. Vanuit die laatste twee groepen klonk vooral een hang naar het verleden toen vrijescholen nog volop in ontwikkeling waren en veel activiteiten naar buiten organiseerden. Leerkrachten, met name uit het basisonderwijs, klaagden over de geweldig toegenomen administratieve last (bijna iedere dag moet het leerlingvolgsysteem worden bijgewerkt), de weinige ruimte die naast de verplichte les- en leerstof beschikbaar is voor ontwikkelingsstof , het overmatig toetsen en de geringe betrokkenheid bij beleid en management van de eigen school.
Daarmee werd meteen duidelijk dat een breed gedragen nota of missiedocument over de identiteit geen eind zal maken aan de dagelijkse worstelingen waar een vrijeschoolleraar mee te maken heeft . Enerzijds wil hij/zij werken aan het vrijeschool ideaal en leerplan en daarnaast moet hij/zij voldoen aan de eisen van de overheid. Dat is een onmogelijke spagaat. De overheid zou tot het besef moeten komen, indachtig het onderwijssysteem in Finland, dat het onderwijs alleen een zaak is van professionele leerkrachten, ouders en kinderen.
De overheid moet vertrouwen geven en geen wantrouwen verpakken in eisen en regels!
zondag 27 december 2009
maandag 16 maart 2009
Vrije School in zwaar weer
Onderstaand bericht is gepubliceerd op de website Antrovista, rubriek opvoeding/scholen, vanaf 17 maart 2009


Vertrouwen komt te voet en vertrekt te paard !
Afgelopen week was de vrije school weer uitgebreid in het nieuws op Radio 1 alsook met een uitgebreid artikel in het NRC op 12 en 13 maart.
De problemen liegen er ook niet om. Allereerst een slechte kwaliteit volgens de normen van de Onderwijsinspectie. Als gevolg daarvan is de school onder curatele gesteld van de Gemeente Amsterdam en heeft de Dienst Maatschappelijke Ondersteuning(DMO) met financiële ondersteuning een interim schoolleider, Anne Veldt aangesteld die orde op zaken moet stellen. In haar plan van aanpak worden kinderen tussentijds “getoetst”en worden leerkrachten begeleidt om “resultaat-gerichter” les te geven! De problemen bestaan al veel langer want de school heeft in de afgelopen vijf jaar zeven besturen en zes directeuren versleten.
Nu lijkt echter de complete chaos uitgebroken; de algemeen directeur is door leerkrachten gedwongen om op te stappen, een bestuurslid is bedreigd en het bestuur wil onder druk van het personeel aftreden en nu zijn ook de ouders in opstand gekomen.
Tijdens een crisisberaad heeft de coördinator onderbouw Gert Hilbolling van de Vereniging van vrije scholen aangegeven dat er op korte termijn twee nieuwe directeuren en een nieuw bestuur moeten komen !
Deze oplossing zal allerminst werken zo blijkt ook wel uit de afgelopen vijf jaar en misschien moet je zelfs concluderen dat hier juist de oorzaak van de problemen ligt.
Hoe meer partijen zoals de inspectie, de gemeente Amsterdam, WMO en nu ook de vereniging van Vrije scholen zich met het onderwijs in een school gaan bemoeien hoe meer verdeeldheid en kwaliteitsverlies er op zal treden. Het basisvertrouwen is dan fundamenteel verstoord.
Een directeur die als dagtaak heeft om de school te leiden en een bestuur op afstand zijn juist de ingrediënten van grote spanningen binnen een vrije school.
De enige oplossing is een sociaal driegelede school waar lerarenzelfbestuur en een mandatenorganisatie de uitgangsprincipes zijn, zoals R.Steiner het ook heeft aangegeven. Daarmee kun je het noodzakelijke fundament van vertrouwen weer opbouwen.
Juist deze school weet dat ook want zij hebben 25 jaar geleden (maart 1984) een jubileum-uitgave uitgegeven getiteld: "De mandatenorganisatie in de Geert Groote School" en als subtitel "Leraren-zelfbestuur, een organisatievorm met toekomst!". De auteur was Christoph Andersen. De publicatie was het resultaat van 12 jaar experimenteren op school!
We mogen hopen dat deze toekomst inmiddels aangebroken is.


Vertrouwen komt te voet en vertrekt te paard !
Afgelopen week was de vrije school weer uitgebreid in het nieuws op Radio 1 alsook met een uitgebreid artikel in het NRC op 12 en 13 maart.
De problemen liegen er ook niet om. Allereerst een slechte kwaliteit volgens de normen van de Onderwijsinspectie. Als gevolg daarvan is de school onder curatele gesteld van de Gemeente Amsterdam en heeft de Dienst Maatschappelijke Ondersteuning(DMO) met financiële ondersteuning een interim schoolleider, Anne Veldt aangesteld die orde op zaken moet stellen. In haar plan van aanpak worden kinderen tussentijds “getoetst”en worden leerkrachten begeleidt om “resultaat-gerichter” les te geven! De problemen bestaan al veel langer want de school heeft in de afgelopen vijf jaar zeven besturen en zes directeuren versleten.
Nu lijkt echter de complete chaos uitgebroken; de algemeen directeur is door leerkrachten gedwongen om op te stappen, een bestuurslid is bedreigd en het bestuur wil onder druk van het personeel aftreden en nu zijn ook de ouders in opstand gekomen.
Tijdens een crisisberaad heeft de coördinator onderbouw Gert Hilbolling van de Vereniging van vrije scholen aangegeven dat er op korte termijn twee nieuwe directeuren en een nieuw bestuur moeten komen !
Deze oplossing zal allerminst werken zo blijkt ook wel uit de afgelopen vijf jaar en misschien moet je zelfs concluderen dat hier juist de oorzaak van de problemen ligt.
Hoe meer partijen zoals de inspectie, de gemeente Amsterdam, WMO en nu ook de vereniging van Vrije scholen zich met het onderwijs in een school gaan bemoeien hoe meer verdeeldheid en kwaliteitsverlies er op zal treden. Het basisvertrouwen is dan fundamenteel verstoord.
Een directeur die als dagtaak heeft om de school te leiden en een bestuur op afstand zijn juist de ingrediënten van grote spanningen binnen een vrije school.
De enige oplossing is een sociaal driegelede school waar lerarenzelfbestuur en een mandatenorganisatie de uitgangsprincipes zijn, zoals R.Steiner het ook heeft aangegeven. Daarmee kun je het noodzakelijke fundament van vertrouwen weer opbouwen.
Juist deze school weet dat ook want zij hebben 25 jaar geleden (maart 1984) een jubileum-uitgave uitgegeven getiteld: "De mandatenorganisatie in de Geert Groote School" en als subtitel "Leraren-zelfbestuur, een organisatievorm met toekomst!". De auteur was Christoph Andersen. De publicatie was het resultaat van 12 jaar experimenteren op school!
We mogen hopen dat deze toekomst inmiddels aangebroken is.
maandag 15 december 2008
Meer vrijheid voor Onderwijs?
Voorstellen voor verbetering Onderwijs
De afgelopen week was het onderwijs op meerdere manieren in de actualiteit.
Eerst was er het voorstel van minister Plasterk, waarin hij ervoor pleit dat de schoolkeuze voor kinderen na de basisschool láter plaatsvindt.
"We selecteren nu te vroeg, waardoor we talent verspelen. Want als je eenmaal op het vmbo begint, maar toch genoeg in je mars hebt om de universiteit te halen, wordt de lange route via het mbo en hbo haast onvermijdelijk", aldus de minister.
Helaas kreeg hij weinig bijval van het kabinet en het parlement.
In de Volkskrant deden Rinnooy Kan en Louise Fresco (voorzitter en lid van de SER) een oproep voor een tweede schoolstrijd . Een aardig idee maar in hun uitwerking niet echt vernieuwend, zoals ook in het webtijdschrift van Ton Jansen (http://www.mens-en-wereld.nl/, zie artikel van 15 dec. j.l.), duidelijk uit de doeken wordt gedaan.

Het beste voorstel dat wel meteen steun kreeg vanuit de regering en het parlement was het voorstel van de Raad voor het Primair Onderwijs (PO-raad) om de Cito-toets bij kinderen in groep 8 van de basisschool niet in februari maar in juni te gaan afnemen. Groot voordeel is dat daarmee het schooladvies van de leerkracht doorslaggevend gaat worden bij de keuze van het vervolgonderwijs.
De Cito-uitslag verwordt dan tot slechts een “second opinion”!
De afgelopen week was het onderwijs op meerdere manieren in de actualiteit.
Eerst was er het voorstel van minister Plasterk, waarin hij ervoor pleit dat de schoolkeuze voor kinderen na de basisschool láter plaatsvindt.
"We selecteren nu te vroeg, waardoor we talent verspelen. Want als je eenmaal op het vmbo begint, maar toch genoeg in je mars hebt om de universiteit te halen, wordt de lange route via het mbo en hbo haast onvermijdelijk", aldus de minister.
Helaas kreeg hij weinig bijval van het kabinet en het parlement.
In de Volkskrant deden Rinnooy Kan en Louise Fresco (voorzitter en lid van de SER) een oproep voor een tweede schoolstrijd . Een aardig idee maar in hun uitwerking niet echt vernieuwend, zoals ook in het webtijdschrift van Ton Jansen (http://www.mens-en-wereld.nl/, zie artikel van 15 dec. j.l.), duidelijk uit de doeken wordt gedaan.

Het beste voorstel dat wel meteen steun kreeg vanuit de regering en het parlement was het voorstel van de Raad voor het Primair Onderwijs (PO-raad) om de Cito-toets bij kinderen in groep 8 van de basisschool niet in februari maar in juni te gaan afnemen. Groot voordeel is dat daarmee het schooladvies van de leerkracht doorslaggevend gaat worden bij de keuze van het vervolgonderwijs.
De Cito-uitslag verwordt dan tot slechts een “second opinion”!
maandag 1 december 2008
Schaalgrootte en Onderwijs
Nma toetst Schoolgrootte
Jarenlang heeft de overheid schaalvergroting in het onderwijs gepropageerd en financieel gestimuleerd vanwege de organisatorische en economische schaalvoordelen die dat zou opleveren. Het was zo vanzelfsprekend dat niemand eraan durfde twijfelen.
Eind jaren tachtig was er een delegatie van Onderwijsambtenaren uit Rusland op werkbezoek in Nederland. Zij lieten zich informeren over de ontwikkelingen op onderwijsgebied. Toen echter het onderwerp schaalgrootte aan de orde kwam stelde de delegatie een paar kritische vragen en verwees naar de praktijk in Rusland waar de zeer grote mammoetscholen veel problemen opleverden.
Kennelijk is dat nu ook doorgedrongen in Nederland en heeft de Onderwijsraad een advies opgesteld eind novemer 2008, dat nu ook door het kabinet is overgenomen, om nieuwe fusies te laten toetsen door de Nederlandse Mededingingsautoriteit( Nma).
In sommige gemeenten (Maastricht, Venlo en Deventer) vallen alle middelbare scholen onder hetzelfde schoolbestuur. Zo’n bestuurlijk monopolie wordt als ongewenst beschouwd, omdat er voor ouders vrijwel niets meer te kiezen valt en schoolbesturen te ver afstaan van ouders en leerkrachten wat de medezeggenschap moeilijker maakt.
Bij kwaliteit van onderwijs gaat het juist om andere zaken dan puur economische factoren en meerdere onderzoeken hebben uitgewezen dat kleinere scholen juist een hogere kwaliteit leveren dan grote scholen.Het Finse onderwijssysteem zonder centrale examens en grote autonomie voor de scholen zelf blijkt de beste kwaliteit op te leveren getuige de resultaten van Pisa-(Europese vergelijking leerlingen niveau) onderzoeken.
Toetsing is echter pas nodig bij fusies waarbij de nieuwe organisatie meer dan 2500 leerlingen basisonderwijs gaat omvatten, of meer dan 5000 scholieren voor het voortgezet onderwijs, meer dan 10000 in het middelbaar beroepsonderwijs en meer dan 20000 studenten in het hoger onderwijs! Dat is niet echt kleinschalig, dus de vraag is of deze grenzen ingegeven zijn door kwaliteitseisen of bestuurlijke pragmatiek?!
Jarenlang heeft de overheid schaalvergroting in het onderwijs gepropageerd en financieel gestimuleerd vanwege de organisatorische en economische schaalvoordelen die dat zou opleveren. Het was zo vanzelfsprekend dat niemand eraan durfde twijfelen.
Eind jaren tachtig was er een delegatie van Onderwijsambtenaren uit Rusland op werkbezoek in Nederland. Zij lieten zich informeren over de ontwikkelingen op onderwijsgebied. Toen echter het onderwerp schaalgrootte aan de orde kwam stelde de delegatie een paar kritische vragen en verwees naar de praktijk in Rusland waar de zeer grote mammoetscholen veel problemen opleverden.
Kennelijk is dat nu ook doorgedrongen in Nederland en heeft de Onderwijsraad een advies opgesteld eind novemer 2008, dat nu ook door het kabinet is overgenomen, om nieuwe fusies te laten toetsen door de Nederlandse Mededingingsautoriteit( Nma).
In sommige gemeenten (Maastricht, Venlo en Deventer) vallen alle middelbare scholen onder hetzelfde schoolbestuur. Zo’n bestuurlijk monopolie wordt als ongewenst beschouwd, omdat er voor ouders vrijwel niets meer te kiezen valt en schoolbesturen te ver afstaan van ouders en leerkrachten wat de medezeggenschap moeilijker maakt.
Bij kwaliteit van onderwijs gaat het juist om andere zaken dan puur economische factoren en meerdere onderzoeken hebben uitgewezen dat kleinere scholen juist een hogere kwaliteit leveren dan grote scholen.Het Finse onderwijssysteem zonder centrale examens en grote autonomie voor de scholen zelf blijkt de beste kwaliteit op te leveren getuige de resultaten van Pisa-(Europese vergelijking leerlingen niveau) onderzoeken.
Toetsing is echter pas nodig bij fusies waarbij de nieuwe organisatie meer dan 2500 leerlingen basisonderwijs gaat omvatten, of meer dan 5000 scholieren voor het voortgezet onderwijs, meer dan 10000 in het middelbaar beroepsonderwijs en meer dan 20000 studenten in het hoger onderwijs! Dat is niet echt kleinschalig, dus de vraag is of deze grenzen ingegeven zijn door kwaliteitseisen of bestuurlijke pragmatiek?!
dinsdag 16 september 2008
Bestuursperikelen Vrije Scholen
Dit artikel is gepubliceerd
in de brochure “Van Binnen Uit” en
uitgegeven bij de officiële opening
na Vergroting en Renovatie van het
schoolgebouw van Vrije School de Regenboog
Eindhoven 14 maart 1992
Uit de school geklapt!
In deze bijdrage zal de plaats of rol van bet bestuur in onze school nader voor het voetlicht komen met name omdat deze positie als omstreden kan worden beschouwd.
In de visie van Rudolf Steiner zou een Vrije School geheel "vrij" van overheids-bemoeienis moeten zijn en zou de school geleid moeten worden door het gezamenlijke college van leerkrachten volgens het principe van volledig zelfbestuur.
R. Steiner sprak van existentiële verbondenheid van leerkrachten met de school, zoals dat ook voor een ondernemer met zijn zelf opgerichte bedrijf geldt. Het is een kwestie van je verantwoordelijk voelen voor het wel en wee van de hele school, iets wat ook de initiatiefouders bij de oprichting van een school kunnen hebben en wat hun rol in school altijd zal blijven kleuren.
Dat beleven van verbondenheid kan zo sterk of diep zijn dat het voor een ieder die in school rondloopt meteen waarneembaar is, wie de dragers van een school zijn.
Uit deze gedachte is ook de beleidsvergadering ontstaan, waarin de leerkrachten met een vaste aanstelling zitting hebben. Zij zou als hoogste orgaan binnen de school het beleid voeren en de besluiten moeten nemen.
In een ander verband heeft R. Steiner ten aanzien van de samenleving als geheel gesproken over de Sociale Driegeleding waarbij hij ervoor pleitte dat de drie levensgebieden van de maatschappij te weten het geestesleven,het rechtsleven en het economisch leven autonoom, volgens hun eigen wetmatigheden, bestuurd zouden moeten worden.
De drie begrippen die we kennen van de Franse Revolutie te weten vrijheid,
gelijkheid en broederschap horen in deze volgorde bij de drie genoemde levensgebieden.
Deze gedachte doortrekkend zou iedere organisatie,ook een school,drie organen moeten kennen:
- een bestuur als rechtsorgaan waar de besluiten genomen worden;
- een economisch orgaan waar geld en middelen beheerd worden;
- een orgaan voor het geestesleven (in de school is dat de pedagogische
vergadering waar alle leerkrachten deel van uitmaken en waar vanuit de
antroposofie en de vrije school pedagogiek gewerkt wordt).
Proberen we deze idealen naar onze tijd en situatie te verplaatsen dan ontstaat er een dilemma, want de Nederlandse overheid eist dat een school een bevoegd gezag heeft in de vorm van een Stichtingsbestuur, dat ook optreedt als werkgever.
Daarnaast is het zo dat de huidige wetgeving het nu mogelijk maakt om bestuursleden aansprakelijk te stellen voor het gevoerde beleid. Dat zou in extreme gevallen kunnen betekenen dat bestuursleden individueel aansprakelijk gesteld kunnen worden in geval van aantoonbaar (financieel) wanbeleid.
Ook is het zo dat een school bij een bepaalde omvang ook wettelijk verplicht is een medezeggenschapsraad op te richten waarin vertegenwoordigers van personeel en ouders zitting hebben.Zij hebben ook advies- en op sommige punten instemmingsrecht.
Deze situatie leidt ertoe dat het ideaal en de praktijk botsen.
Leerkrachten c.q. de beleidsvergadering hebben te maken met een bestuur dat in het verlengde van haar plichten ook haar rechten wil opeisen door mede vorm en inhoud te geven aan het schoolbeleid en zeker op het financiële en personele vlak (juridische en arbeidsrechtelijke zaken).
In dit spanningsveld ontstaat een soort van touwtrekken tussen bestuur en beleidsvergadering over taken en bevoegdheden.Los van de formele kant gaat het vooral ook om de vertrouwensrelatie tusen bestuur,eerkrachten en ouders en dat is gebaat bij openheid en transparantie over alle schoolzaken.
Daaruit is in onze school een soort van compromis ontstaan, namelijk dat bij iedere bestuursvergadering ook de voorzitter van de beleidsvergadering aanwezig is voor de onderlinge communicatie. Daarnaast is het zo dat de beleidsvergadering met beleidsvoorstellen komt die in het bestuur getoetst worden op financiële, juridische en organisatorische aspecten/randvoorwaarden en daarna definitief vastgesteld worden door bestuur en beleidsvergadering gezamenlijk.
Vanuit een andere optiek zou je kunnen zeggen dat de leerkrachten vooral uitvoerend zijn, de beleidsvergadering beleidsvoorbereidend en het bestuur meer toezichthoudend,voorwaardenscheppend, spiegelend en evaluerend is.
Je zou ook kunnen zeggen, dat leerkrachten vooral bezig zijn met de inhoud, bestuursleden vooral bezig zijn met de vorm en de procedures.
Interessant is dat R. Steiner als oprichter van de eerste Vrije School (de Waldorfschule in Stuttgart) zelf ook geen leerkracht is geweest maar een soort Bestuursfunctie vervulde.
Afgezien van dit meer principiële punt tussen je verantwoordelijk voelen (beleidsvergadering) en verantwoordelijk "gemaakt" worden (bestuur) zijn er ook allerlei praktische zaken die "bet besturen” bemoeilijken.
Zo is er de overheid die scholen bestookt met circulaires en brieven, die toch allemaal "geconsumeerd” moeten worden en zeker ook een specifieke ambtelijke deskundigheid vereisen. Daarnaast heeft een school te maken met de gemeentelijke overheid, de onderwijsinspectie, de bedrijfsvereniging, het pensioenfonds etc.
Uiteraard maak je als Vrije School ook deel uit van het landelijke Vrije School Beweging waarin je ook je stem moet laten klinken.
Deze opsomming geeft misschien aan dat een bestuurstaak daarom nogal wat tijd, inzet en "materiedeskundigheid" vraagt.
Een ander aspect is dat bestuurders vaak uit de kring van de "eigen ouders" voortkomen met als voordeel dat ze de school al kennen, maar met als nadeel dat ze niet altijd onbevooroordeeld zijn als het gaat om de klas van hún kind of die leerkracht. Zo iemand heeft als het ware twee "petten" op.
Als ouder/bestuurslid verkeer je ook in de nadelige situatie dat je niet het hele reilen en zeilen van een school op de voet kunt volgen; je bent aangewezen op signalen van anderen en incidentele eigen indrukken.
Terugkijkend op 3 jaar bestuurslidmaatschap heb ik ervaren hoe moeizaam of moeilijk het besturen feitelijk is, in die zin dat het heel veel tijd kost, dat je zeker niet alleen vrienden maakt, maar je soms zelfs gijzelaar voelt tussen ouders en leerkrachten als je pijnlijke of moeilijke onderwerpen bespreekbaar moet maken of besluiten moet meedelen. Je moet een luisterend oor bieden voor vragen en klachten en je doorzettingsvermogen wordt zwaar op de proef gesteld door vele en lange vergaderingen, besprekingen en bijeenkomsten. Bestuur en beleidsvergadering hebben altijd maximale openheid en transparantie betracht vooral naar de ouders toe. Op algemene ouderavonden aan het einde van het schooljaar werden alle nieuwe plannen, projecten gepresenteerd inclusief de financiële gezondheid van de school. Door deze openheid en transparantie groeide het onderling vertrouwen en het noodzakelijke draagvlak.
Daarnaast is het een leerschool voor vaardigheden en sociale rollen die zijn gelijke niet kent en zeker in een tijd waarin het sociale en de onderlinge verbondenheid juist zo hard nodig zijn en ontwikkeld dienen te worden.
Pas dan kunnen de woorden van R. Steiner namelijk dat een Vrije School een cultuurgemeenschap moet zijn, werkelijkheid worden!
in de brochure “Van Binnen Uit” en
uitgegeven bij de officiële opening
na Vergroting en Renovatie van het
schoolgebouw van Vrije School de Regenboog
Eindhoven 14 maart 1992
Uit de school geklapt!
In deze bijdrage zal de plaats of rol van bet bestuur in onze school nader voor het voetlicht komen met name omdat deze positie als omstreden kan worden beschouwd.
In de visie van Rudolf Steiner zou een Vrije School geheel "vrij" van overheids-bemoeienis moeten zijn en zou de school geleid moeten worden door het gezamenlijke college van leerkrachten volgens het principe van volledig zelfbestuur.
R. Steiner sprak van existentiële verbondenheid van leerkrachten met de school, zoals dat ook voor een ondernemer met zijn zelf opgerichte bedrijf geldt. Het is een kwestie van je verantwoordelijk voelen voor het wel en wee van de hele school, iets wat ook de initiatiefouders bij de oprichting van een school kunnen hebben en wat hun rol in school altijd zal blijven kleuren.
Dat beleven van verbondenheid kan zo sterk of diep zijn dat het voor een ieder die in school rondloopt meteen waarneembaar is, wie de dragers van een school zijn.
Uit deze gedachte is ook de beleidsvergadering ontstaan, waarin de leerkrachten met een vaste aanstelling zitting hebben. Zij zou als hoogste orgaan binnen de school het beleid voeren en de besluiten moeten nemen.
In een ander verband heeft R. Steiner ten aanzien van de samenleving als geheel gesproken over de Sociale Driegeleding waarbij hij ervoor pleitte dat de drie levensgebieden van de maatschappij te weten het geestesleven,het rechtsleven en het economisch leven autonoom, volgens hun eigen wetmatigheden, bestuurd zouden moeten worden.
De drie begrippen die we kennen van de Franse Revolutie te weten vrijheid,
gelijkheid en broederschap horen in deze volgorde bij de drie genoemde levensgebieden.
Deze gedachte doortrekkend zou iedere organisatie,ook een school,drie organen moeten kennen:
- een bestuur als rechtsorgaan waar de besluiten genomen worden;
- een economisch orgaan waar geld en middelen beheerd worden;
- een orgaan voor het geestesleven (in de school is dat de pedagogische
vergadering waar alle leerkrachten deel van uitmaken en waar vanuit de
antroposofie en de vrije school pedagogiek gewerkt wordt).
Proberen we deze idealen naar onze tijd en situatie te verplaatsen dan ontstaat er een dilemma, want de Nederlandse overheid eist dat een school een bevoegd gezag heeft in de vorm van een Stichtingsbestuur, dat ook optreedt als werkgever.
Daarnaast is het zo dat de huidige wetgeving het nu mogelijk maakt om bestuursleden aansprakelijk te stellen voor het gevoerde beleid. Dat zou in extreme gevallen kunnen betekenen dat bestuursleden individueel aansprakelijk gesteld kunnen worden in geval van aantoonbaar (financieel) wanbeleid.
Ook is het zo dat een school bij een bepaalde omvang ook wettelijk verplicht is een medezeggenschapsraad op te richten waarin vertegenwoordigers van personeel en ouders zitting hebben.Zij hebben ook advies- en op sommige punten instemmingsrecht.
Deze situatie leidt ertoe dat het ideaal en de praktijk botsen.
Leerkrachten c.q. de beleidsvergadering hebben te maken met een bestuur dat in het verlengde van haar plichten ook haar rechten wil opeisen door mede vorm en inhoud te geven aan het schoolbeleid en zeker op het financiële en personele vlak (juridische en arbeidsrechtelijke zaken).
In dit spanningsveld ontstaat een soort van touwtrekken tussen bestuur en beleidsvergadering over taken en bevoegdheden.Los van de formele kant gaat het vooral ook om de vertrouwensrelatie tusen bestuur,eerkrachten en ouders en dat is gebaat bij openheid en transparantie over alle schoolzaken.
Daaruit is in onze school een soort van compromis ontstaan, namelijk dat bij iedere bestuursvergadering ook de voorzitter van de beleidsvergadering aanwezig is voor de onderlinge communicatie. Daarnaast is het zo dat de beleidsvergadering met beleidsvoorstellen komt die in het bestuur getoetst worden op financiële, juridische en organisatorische aspecten/randvoorwaarden en daarna definitief vastgesteld worden door bestuur en beleidsvergadering gezamenlijk.
Vanuit een andere optiek zou je kunnen zeggen dat de leerkrachten vooral uitvoerend zijn, de beleidsvergadering beleidsvoorbereidend en het bestuur meer toezichthoudend,voorwaardenscheppend, spiegelend en evaluerend is.
Je zou ook kunnen zeggen, dat leerkrachten vooral bezig zijn met de inhoud, bestuursleden vooral bezig zijn met de vorm en de procedures.
Interessant is dat R. Steiner als oprichter van de eerste Vrije School (de Waldorfschule in Stuttgart) zelf ook geen leerkracht is geweest maar een soort Bestuursfunctie vervulde.
Afgezien van dit meer principiële punt tussen je verantwoordelijk voelen (beleidsvergadering) en verantwoordelijk "gemaakt" worden (bestuur) zijn er ook allerlei praktische zaken die "bet besturen” bemoeilijken.
Zo is er de overheid die scholen bestookt met circulaires en brieven, die toch allemaal "geconsumeerd” moeten worden en zeker ook een specifieke ambtelijke deskundigheid vereisen. Daarnaast heeft een school te maken met de gemeentelijke overheid, de onderwijsinspectie, de bedrijfsvereniging, het pensioenfonds etc.
Uiteraard maak je als Vrije School ook deel uit van het landelijke Vrije School Beweging waarin je ook je stem moet laten klinken.
Deze opsomming geeft misschien aan dat een bestuurstaak daarom nogal wat tijd, inzet en "materiedeskundigheid" vraagt.
Een ander aspect is dat bestuurders vaak uit de kring van de "eigen ouders" voortkomen met als voordeel dat ze de school al kennen, maar met als nadeel dat ze niet altijd onbevooroordeeld zijn als het gaat om de klas van hún kind of die leerkracht. Zo iemand heeft als het ware twee "petten" op.
Als ouder/bestuurslid verkeer je ook in de nadelige situatie dat je niet het hele reilen en zeilen van een school op de voet kunt volgen; je bent aangewezen op signalen van anderen en incidentele eigen indrukken.
Terugkijkend op 3 jaar bestuurslidmaatschap heb ik ervaren hoe moeizaam of moeilijk het besturen feitelijk is, in die zin dat het heel veel tijd kost, dat je zeker niet alleen vrienden maakt, maar je soms zelfs gijzelaar voelt tussen ouders en leerkrachten als je pijnlijke of moeilijke onderwerpen bespreekbaar moet maken of besluiten moet meedelen. Je moet een luisterend oor bieden voor vragen en klachten en je doorzettingsvermogen wordt zwaar op de proef gesteld door vele en lange vergaderingen, besprekingen en bijeenkomsten. Bestuur en beleidsvergadering hebben altijd maximale openheid en transparantie betracht vooral naar de ouders toe. Op algemene ouderavonden aan het einde van het schooljaar werden alle nieuwe plannen, projecten gepresenteerd inclusief de financiële gezondheid van de school. Door deze openheid en transparantie groeide het onderling vertrouwen en het noodzakelijke draagvlak.
Daarnaast is het een leerschool voor vaardigheden en sociale rollen die zijn gelijke niet kent en zeker in een tijd waarin het sociale en de onderlinge verbondenheid juist zo hard nodig zijn en ontwikkeld dienen te worden.
Pas dan kunnen de woorden van R. Steiner namelijk dat een Vrije School een cultuurgemeenschap moet zijn, werkelijkheid worden!
maandag 8 september 2008
Nieuwe Bestuursstructuur Vrije Scholen
Dit artikel is verschenen op de Website van Antrovista onder de rubriek Opvoeding/Scholen vanaf 8 september 2008
Vrije Schoolbestuur professioneler!?
Enige tijd geleden zag ik op de website van Vrije Middelbare School het Novaliscollege dat de bestuursorganisatie compleet was veranderd.
Onder druk van de overheid konden middelbare en dus ook vrije scholen vanaf 1998 alleen voortbestaan als zij een bepaalde omvang hadden. Dus fuseerden het Novaliscollege uit Eindhoven met het Karel de Grote college uit Nijmegen en de Stichtse Vrije School uit Zeist. Gezamenlijk waren zij groot genoeg om de opheffingsnorm als Scholengemeenschap voor
Vmbo-t, Havo en Vwo te ontlopen.
De afzonderlijke schoolbesturen werden opgeheven en omgevormd tot een nieuw bestuur bestaande uit zes leden met van iedere school twee bestuursleden. Zij waren het bevoegd gezag van de (school) stichting en hadden de algemene leiding (beleid en financiën), terwijl de directies samen het managementteam vormden en de dagelijkse leiding hadden. Dat heette toen
“ besturen op afstand”.
Daar is nu verandering in gekomen omdat er nu een College van Bestuur en een Raad van Toezicht is. De oud-bestuursleden hebben nu zitting in de Raad van Toezicht. Deze dient het college van Bestuur te controleren en toezicht te houden op de algemene gang van zaken.
Deze constructie kennen we vooral van Hogescholen en Universiteiten.
Gek genoeg bestaat de Raad van Bestuur wel maar uit één persoon (de voormalig directeur algemene ondersteuning). Hij mag zich nu collegevoorzitter noemen. Voordeel is natuurlijk wel dat het tot snelle besluitvorming leidt.
Een vergadering beleggen met jezelf is natuurlijk niet nodig !
Feitelijk is er een hiërarchische laag bijgekomen want de schooldirecties hebben een college van bestuur (of collegevoorzitter) boven zich gekregen.
Tegelijkertijd ook een stap verder weg van het ideaal van lerarenzelfbestuur.
Wordt het bestuurs- en besluitvormingsproces daardoor ook beter of democratischer?
Wat zou de noodzaak of beweegreden voor deze gedaantewisseling zijn?
Het antwoord kwam heel toevallig via een artikel in het NRC van vrijdag 5 september.
Daar stond een verhaal van Walter Dresscher, voorzitter van de Algemene Onderwijsbond, waarin hij de minister enkele tips wilde geven voor het aanpakken van de topsalarissen in onderwijsland.
Dresscher signaleert dat “juist bij kleine scholen van pakweg 1500 leerlingen de salarissen van het bestuur er het meest op vooruit gingen als de school overstapte van een directie- naar een bestuursmodel met een collegevoorzitter en een raad van toezicht”!
De “laagvliegers” (lees:bestuurders van kleine onderwijsinstellingen) koersen nu ook richting de maximumsalarissen!
Het vrije schoolonderwijs wordt dus steeds professioneler (en duurder)!
Vrije Schoolbestuur professioneler!?
Enige tijd geleden zag ik op de website van Vrije Middelbare School het Novaliscollege dat de bestuursorganisatie compleet was veranderd.
Onder druk van de overheid konden middelbare en dus ook vrije scholen vanaf 1998 alleen voortbestaan als zij een bepaalde omvang hadden. Dus fuseerden het Novaliscollege uit Eindhoven met het Karel de Grote college uit Nijmegen en de Stichtse Vrije School uit Zeist. Gezamenlijk waren zij groot genoeg om de opheffingsnorm als Scholengemeenschap voor
Vmbo-t, Havo en Vwo te ontlopen.
De afzonderlijke schoolbesturen werden opgeheven en omgevormd tot een nieuw bestuur bestaande uit zes leden met van iedere school twee bestuursleden. Zij waren het bevoegd gezag van de (school) stichting en hadden de algemene leiding (beleid en financiën), terwijl de directies samen het managementteam vormden en de dagelijkse leiding hadden. Dat heette toen
“ besturen op afstand”.
Daar is nu verandering in gekomen omdat er nu een College van Bestuur en een Raad van Toezicht is. De oud-bestuursleden hebben nu zitting in de Raad van Toezicht. Deze dient het college van Bestuur te controleren en toezicht te houden op de algemene gang van zaken.
Deze constructie kennen we vooral van Hogescholen en Universiteiten.
Gek genoeg bestaat de Raad van Bestuur wel maar uit één persoon (de voormalig directeur algemene ondersteuning). Hij mag zich nu collegevoorzitter noemen. Voordeel is natuurlijk wel dat het tot snelle besluitvorming leidt.
Een vergadering beleggen met jezelf is natuurlijk niet nodig !
Feitelijk is er een hiërarchische laag bijgekomen want de schooldirecties hebben een college van bestuur (of collegevoorzitter) boven zich gekregen.
Tegelijkertijd ook een stap verder weg van het ideaal van lerarenzelfbestuur.
Wordt het bestuurs- en besluitvormingsproces daardoor ook beter of democratischer?
Wat zou de noodzaak of beweegreden voor deze gedaantewisseling zijn?
Het antwoord kwam heel toevallig via een artikel in het NRC van vrijdag 5 september.
Daar stond een verhaal van Walter Dresscher, voorzitter van de Algemene Onderwijsbond, waarin hij de minister enkele tips wilde geven voor het aanpakken van de topsalarissen in onderwijsland.
Dresscher signaleert dat “juist bij kleine scholen van pakweg 1500 leerlingen de salarissen van het bestuur er het meest op vooruit gingen als de school overstapte van een directie- naar een bestuursmodel met een collegevoorzitter en een raad van toezicht”!
De “laagvliegers” (lees:bestuurders van kleine onderwijsinstellingen) koersen nu ook richting de maximumsalarissen!
Het vrije schoolonderwijs wordt dus steeds professioneler (en duurder)!
dinsdag 24 juni 2008
NRC weblogtekst Onderwijs 2008
Overheid: Handen af van het Onderwijs !
De door de commissie Dijsselbloem gepresenteerde resultaten van het parlementair onderzoek naar de onderwijsvernieuwingen zijn een bevestiging van wat velen: ouders, leerkrachten en leerlingen al jarenlang direct hebben ervaren en lijdzaam hebben moeten ondergaan.De overheid zou daaruit een wijze les moeten trekken en zich helemaal niet meer met het onderwijs moeten bemoeien. Centrale sturing werkt niet voor het maatschappelijke gebied van Wetenschap,Onderwijs, Kunst en Cultuur (zie ook boek Trias Politica Ethica).De aanbevelingen van de commissie waarbij de overheid veel terughoudender moet zijn ten aanzien van het onderwijs zouden inderdaad zeer ter harte genomen moeten worden, maar gaan nog lang niet ver genoeg. Indachtig artikel 23 uit de grondwet waarin de Vrijheid van Onderwijs is vastgelegd, zou veel meer naar de geest dan naar de letter van deze tekst gehandeld moeten worden. De commissie benadrukt dat het een kerntaak van de overheid is om het wat (de inhoud van het onderwijs) te bepalen en het onderwijsveld de vrijheid te geven voor het hoe (didactische en pedagogische vorm). Dit is echter zeer discutabel.Ook het wat zou door het onderwijsveld zelf bepaald moeten worden omdat kinderen zo verschillend zijn in aanleg en kunnen. De overheid zou hoogstens hele algemene, globale kerndoelen mogen formuleren.Wel moet de overheid de financiële middelen verstrekken voor de schoolorganisatie, goede salarissen van leerkrachten en deugdelijke, gezonde schoolgebouwen. Verder zouden ze eisen mogen stellen aan bevoegdheden van leerkrachten en onderwijsuren.Zo werkt het Finse onderwijssysteem (met een teruggetreden overheid en vergaande autonomie van de scholen en geen centrale eindexamens!). Het al in 1972 verschenen boekje “de ontschoolde maatschappij” van de inmiddels overleden cultuurfilosoof Ivan Illich, zou voor ieder kamerlid verplichte kost moeten zijn. Geef het vertrouwen terug aan scholen, leerkrachten en ouders! Dat dit geen teruggang in kwaliteit, maar juist een verbetering van de onderwijskwaliteit oplevert, hebben de periodieke internationale vergelijkende onderzoeken (PISA) aangetoond. Finse scholieren staan al jaren in de top drie op alle onderdelen!
Op een toneel-, kunstacademie of conservatorium wordt ook niet gewerkt met landelijk voorgeschreven profielen en centrale examens. Zo zou het voor het hele onderwijs moeten gaan inclusief basis en middelbaar onderwijs. Laat het onderwijs over aan de professionals!
De door de commissie Dijsselbloem gepresenteerde resultaten van het parlementair onderzoek naar de onderwijsvernieuwingen zijn een bevestiging van wat velen: ouders, leerkrachten en leerlingen al jarenlang direct hebben ervaren en lijdzaam hebben moeten ondergaan.De overheid zou daaruit een wijze les moeten trekken en zich helemaal niet meer met het onderwijs moeten bemoeien. Centrale sturing werkt niet voor het maatschappelijke gebied van Wetenschap,Onderwijs, Kunst en Cultuur (zie ook boek Trias Politica Ethica).De aanbevelingen van de commissie waarbij de overheid veel terughoudender moet zijn ten aanzien van het onderwijs zouden inderdaad zeer ter harte genomen moeten worden, maar gaan nog lang niet ver genoeg. Indachtig artikel 23 uit de grondwet waarin de Vrijheid van Onderwijs is vastgelegd, zou veel meer naar de geest dan naar de letter van deze tekst gehandeld moeten worden. De commissie benadrukt dat het een kerntaak van de overheid is om het wat (de inhoud van het onderwijs) te bepalen en het onderwijsveld de vrijheid te geven voor het hoe (didactische en pedagogische vorm). Dit is echter zeer discutabel.Ook het wat zou door het onderwijsveld zelf bepaald moeten worden omdat kinderen zo verschillend zijn in aanleg en kunnen. De overheid zou hoogstens hele algemene, globale kerndoelen mogen formuleren.Wel moet de overheid de financiële middelen verstrekken voor de schoolorganisatie, goede salarissen van leerkrachten en deugdelijke, gezonde schoolgebouwen. Verder zouden ze eisen mogen stellen aan bevoegdheden van leerkrachten en onderwijsuren.Zo werkt het Finse onderwijssysteem (met een teruggetreden overheid en vergaande autonomie van de scholen en geen centrale eindexamens!). Het al in 1972 verschenen boekje “de ontschoolde maatschappij” van de inmiddels overleden cultuurfilosoof Ivan Illich, zou voor ieder kamerlid verplichte kost moeten zijn. Geef het vertrouwen terug aan scholen, leerkrachten en ouders! Dat dit geen teruggang in kwaliteit, maar juist een verbetering van de onderwijskwaliteit oplevert, hebben de periodieke internationale vergelijkende onderzoeken (PISA) aangetoond. Finse scholieren staan al jaren in de top drie op alle onderdelen!
Op een toneel-, kunstacademie of conservatorium wordt ook niet gewerkt met landelijk voorgeschreven profielen en centrale examens. Zo zou het voor het hele onderwijs moeten gaan inclusief basis en middelbaar onderwijs. Laat het onderwijs over aan de professionals!
Abonneren op:
Posts (Atom)
