Onderstaand artikel is ingekort ook verschenen in het Eindhovens Dagblad van 13 december 2012
Vrije Scholen scoren uitstekend in onderwijsonderzoek.
Het Novaliscollege, een middelbare vrije school met een VWO, HAVO en VMBO G/L stroom heeft in Eindhoven de hoogste cijfers gehaald in het voor de Volkskrant uitgevoerde grootschalige onderzoek van Jaap Dronkers dat begin december 2012 gepubliceerd werd.
De cijfers waren respectievelijk een 9,5 voor VWO, een 10 voor HAVO en een 10 voor VMBO G/L (staat voor gemengde leerweg). Geen enkele andere school in Eindhoven haalt dezelfde hoge scores.
Interessant is vooral de manier waarop de kwaliteit van het onderwijs is gemeten door de onderwijssocioloog Jaap Dronkers van de universiteit in Maastricht.
Dronkers keek verder dan alleen naar eindexamencijfers of de slaagpercentages. Hij vergeleek ook de prestaties van bovenbouwleerlingen met het advies dat de kinderen hadden meegekregen van hun basisschool, die zijn op te vatten als startniveau of basiskwalificatie. Als de prestaties boven het advies uitkomen, krijgt een school bonuspunten.
In een samenvatting die te vinden is op de website (http://static3.volkskrant.nl/static/asset/2012/Dronkerslijstschoolprestaties_901.pdf) staan de scholen met de meeste toegevoegde waarde per soort.
Deze cijfers zijn dermate bijzonder omdat in het verleden vrije scholen vaak onder vuur lagen en soms zelfs openlijk bekritiseerd werden door de onderwijsinspectie. Het vrije school onderwijs streeft namelijk naar een brede persoonlijkheidsvorming waarbij hoofd, hart en handen van leerlingen aangesproken worden. Dus niet alleen de voorgeschreven examenvakken maar ook via sociale en vooral kunstzinnige activiteiten(zoals handenarbeid, euritmie, muziek, toneel en schoolkampen). Dit staat vaak op gespannen voet met de prestatiemetingen van de inspectie voor het verplichte profielprogramma.
Bij de categorie HAVO vinden we notabene vier vrije scholen in de top tien. Naast het Novaliscollege uit Eindhoven zijn dat het Karel de Grote college uit Nijmegen, de Stichtse Vrije School uit Zeist en de Vrije School Noord-Holland uit Bergen (Noord-Holland). De eerste drie genoemde middelbare vrije scholen vormen samen een juridisch geheel.
Het Novaliscollege is ook om een andere reden een hele bijzondere school en dan bedoel ik vooral het gebouw dat ruim vijf jaar geleden het meest duurzame schoolgebouw van Eindhoven was. Het gebouw heeft een ondergrondse koude/warmteopslag (als een soort van natuurlijke airconditioning), een grijs water circuit met gebruik van regenwater. Daarnaast is er gebruik gemaakt van veel natuurlijke materialen zoals stro- en leem- stucwerk voor de muren, hergebruikte bakstenen van Limburgse mijnwerkershuisjes, plantaardige natuurlijke verf, vlaswol als isolatiemateriaal en zelfs zonnepanelen op het dak. In het inwendige is veel hout gebruikt om een twee verdiepingen hoog houten skeletbouw te kunnen realiseren. Al met al een kunstzinnig mooi maar ook functioneel én duurzaam gebouw.
In de ontroerendgoed award verkiezing van 2011 was het Novaliscollege nog een van de genomineerde gebouwen in Eindhoven. Uiteindelijk werd het Christiaan Huygens College van RAU architecten de winnaar met ook een zeer duurzaam gebouw.
Als toenmalig voorzitter en ouderlid van de schoolmedezeggenschapsraad heb ik gedurende bijna vijf jaar meegedraaid in de projectgroep die de bouw heeft voorbereid en uitgevoerd en dat was een leerzame en spannende periode.
dinsdag 11 december 2012
dinsdag 6 november 2012
Coöperaties in het Onderwijs
Lerarencoöperatie: een nieuw fenomeen.
Het Eerste Coöperatief Werkverband Primair Onderwijs (2009) en het Eerste Coöperatief Werkgeversverband van scholen in Voortgezet Onderwijs (vanaf 2003) zijn vrij jonge rechtspersonen met als bijzondere samenwerkingsvorm de coöperatie.
Bij de tweede organisatie zijn inmiddels zo’n 40 scholen uit het voortgezet onderwijs aangesloten, samen met zo’n 49.000 leerlingen. Het betreft veelal kleinere zelfstandige scholen van de categorie bijzondere scholen zoals Montessori-, Vrije Scholen en categorale Gymnasia of Lycea.
Zo maken de Stichting Vrije Scholen Zuidwest-Nederland, Stichting De Vrije Scholen Noord- en Oost Nederland, Stichting scholengemeenschap voor voortgezet vrije school onderwijs Midden- en Zuid-Oost Nederland en Stichting Vrije School Voortgezet Onderwijs Noord Holland allemaal deel uit van de Coöperatie VO. Deze Scholen horen ook bij de koepelorganisatie van Vereniging van Bijzondere Scholen (VBS).
De vergelijkbare organisatie in het primair onderwijs bestaat uit zo’n 25 kleine schoolbesturen met samen 13.000 leerlingen.
Het grote voordeel van een coöperatie is dat het een democratische rechtspersoon is en dat garandeert inspraak en medezeggenschap, bijvoorbeeld in de VO-Raad.
De leden(scholen) zijn via de algemene ledenraad het hoogste bevoegd gezag (zeg maar de baas) en kiezen en benoemen het coöperatiebestuur. Het gaat om maximale samenwerking en belangenbehartiging maar met behoud van zelfstandigheid. Het bestuur zorgt voor binding en beleid namens de aangesloten leden. Het bestuur vertegenwoordigt ook de scholen en treedt als gezicht naar buiten.
Dit voorbeeld is inmiddels ook overgenomen op schoolniveau. Zo is er een Vrije School in Utrecht uit het primair onderwijs dat zich in 2006 van een Stichting heeft omgevormd naar een Coöperatie. Dit alles met de bedoeling om een belangrijk principe in praktijk te brengen, namelijk het concept van Lerarenzelfbestuur en de Mandatenorganisatie. Uitgangspunt daarbij is dat Leraren autonoom moeten kunnen zijn en samen het algemeen bestuur en beleid moeten vormgeven. Niet de overheid of de ouders moeten het wettelijk, bevoegd gezag zijn maar leraren zelf. Het gaat in dit geval om een coöperatie van natuurlijke personen, die samen een bestuur kiezen.
Zelfsturing en zelforganisatie zijn onderwerpen die steeds belangrijker lijken te worden in het maatschappelijke veld (civil society). Stichting Zelforganisatie is daar een sprekend voorbeeld van.
Dit soort organisatie ontstaan zonder een vorm van centrale regie, maar “bottom-up”. Zelforganiserende systemen kenmerken zich door adaptiviteit en flexibiliteit. Zelforganisatie is een proces dat in de natuur maar ook in de samenleving voorkomt waarbij in een chaotisch systeem spontane structuren ontstaan die steeds complexere vormen kunnen aannemen. In de media kunnen we er begin november meer over horen omdat 7 november 2012 is uitgeroepen tot Nationale Dag van de Zelforganisatie.
Zie: http://www.cooperatiepo.nl/home/
http://www.cooperatievo.nl/home/
www.vrijeschoolutrecht.nl/2012/07/31/lerarencooperatie/
www.z11org.nl/
Het Eerste Coöperatief Werkverband Primair Onderwijs (2009) en het Eerste Coöperatief Werkgeversverband van scholen in Voortgezet Onderwijs (vanaf 2003) zijn vrij jonge rechtspersonen met als bijzondere samenwerkingsvorm de coöperatie.
Bij de tweede organisatie zijn inmiddels zo’n 40 scholen uit het voortgezet onderwijs aangesloten, samen met zo’n 49.000 leerlingen. Het betreft veelal kleinere zelfstandige scholen van de categorie bijzondere scholen zoals Montessori-, Vrije Scholen en categorale Gymnasia of Lycea.
Zo maken de Stichting Vrije Scholen Zuidwest-Nederland, Stichting De Vrije Scholen Noord- en Oost Nederland, Stichting scholengemeenschap voor voortgezet vrije school onderwijs Midden- en Zuid-Oost Nederland en Stichting Vrije School Voortgezet Onderwijs Noord Holland allemaal deel uit van de Coöperatie VO. Deze Scholen horen ook bij de koepelorganisatie van Vereniging van Bijzondere Scholen (VBS).
De vergelijkbare organisatie in het primair onderwijs bestaat uit zo’n 25 kleine schoolbesturen met samen 13.000 leerlingen.
Het grote voordeel van een coöperatie is dat het een democratische rechtspersoon is en dat garandeert inspraak en medezeggenschap, bijvoorbeeld in de VO-Raad.
De leden(scholen) zijn via de algemene ledenraad het hoogste bevoegd gezag (zeg maar de baas) en kiezen en benoemen het coöperatiebestuur. Het gaat om maximale samenwerking en belangenbehartiging maar met behoud van zelfstandigheid. Het bestuur zorgt voor binding en beleid namens de aangesloten leden. Het bestuur vertegenwoordigt ook de scholen en treedt als gezicht naar buiten.
Dit voorbeeld is inmiddels ook overgenomen op schoolniveau. Zo is er een Vrije School in Utrecht uit het primair onderwijs dat zich in 2006 van een Stichting heeft omgevormd naar een Coöperatie. Dit alles met de bedoeling om een belangrijk principe in praktijk te brengen, namelijk het concept van Lerarenzelfbestuur en de Mandatenorganisatie. Uitgangspunt daarbij is dat Leraren autonoom moeten kunnen zijn en samen het algemeen bestuur en beleid moeten vormgeven. Niet de overheid of de ouders moeten het wettelijk, bevoegd gezag zijn maar leraren zelf. Het gaat in dit geval om een coöperatie van natuurlijke personen, die samen een bestuur kiezen.
Zelfsturing en zelforganisatie zijn onderwerpen die steeds belangrijker lijken te worden in het maatschappelijke veld (civil society). Stichting Zelforganisatie is daar een sprekend voorbeeld van.
Dit soort organisatie ontstaan zonder een vorm van centrale regie, maar “bottom-up”. Zelforganiserende systemen kenmerken zich door adaptiviteit en flexibiliteit. Zelforganisatie is een proces dat in de natuur maar ook in de samenleving voorkomt waarbij in een chaotisch systeem spontane structuren ontstaan die steeds complexere vormen kunnen aannemen. In de media kunnen we er begin november meer over horen omdat 7 november 2012 is uitgeroepen tot Nationale Dag van de Zelforganisatie.
Zie: http://www.cooperatiepo.nl/home/
http://www.cooperatievo.nl/home/
www.vrijeschoolutrecht.nl/2012/07/31/lerarencooperatie/
www.z11org.nl/
dinsdag 9 oktober 2012
Onderwijs als kunst.
Boekbespreking: Onderwijs en de kunst van het lesgeven.
Uitgeverij: SWP te Amsterdam
Auteur : Jan Klaasen
Uitgegeven: 2012
Dit boek is een bijkomend resultaat van het project “Onderwijs=Kunst“, dat startte in 2006 en werd geïnitieerd door drie oud-rectoren van een middelbare school in de regio Eindhoven. Teun Abbenhuis, Paul van der Grinten en Bert Ramakers begonnen “dit initiatief als een zoektocht naar de kern van het onderwijs en de identiteit van het lerarenberoep” . Het leidde tot een symposium op het Eindhovense stadhuis in oktober 2008 waar de eerste publicatie “Ooghoogte” werd gelanceerd en aangeboden aan de voormalige vice-president van de Raad van State Tjeenk Willink. Later zijn er nog drie publicaties verschenen in deze reeks alsook de documentaire “Magisch moment”.
Een afrondend symposium “Onderwijs=Kunst” was 19 november 2012, opnieuw in de raadszaal van het Eindhovense gemeentehuis. Daar zijn de laatste twee delen (5 en 6) van Ooghoogte aangeboden.
Jan Klaasen was een van de deskundigen waarmee de voormalige rectoren in gesprek gingen. Toch vond hij het nodig zijn persoonlijke ideeën over de huidige staat van het onderwijs in een boekvorm te gieten. Op basis van zijn jarenlange onderwijservaring en onderwijsvisie houdt Klaasen een pleidooi voor de vrijheid van onderwijs, de professionele autonomie van de leraar én de zelforganisatie van de onderwijsinstelling.
Schrijver Klaasen, zelf oud-leerkracht Geschiedenis aan de Vrije School Brabant (inmiddels Novaliscollege geheten), probeert de complexiteit van de onderwijssituatie te beschrijven. Hij maakt duidelijk dat alle kwaliteiten en ervaring van een persoon nodig zijn om de voorwaarden te creëren voor een gezond leerproces. Er is geen simpel aan te leren didactisch model of pedagogische aanpak met een gegarandeerd succes of goed onderwijsresultaat.
In een artikel in het Eindhovens Dagblad van 8 oktober jl. wordt Klaasen met vette letters geciteerd:” Een scholier is geen Big Mac en
standaard onderwijs voor standaard leerlingen zal maar heel beperkt werken.
De uitval en het aantal leerlingen met bijzondere stoornissen of ziektebeelden (Dyslexie, Dyscalculie, ADHD, Autisme, MBD) neemt alsmaar toe. Leerlingen moeten maar zelfstandig aan de slag met opdrachten en de docent is bijna overbodig geworden of beperkt in de rol van tutor, mentor, coach of studieloopbaanbegeleider. Het klassikale lesgeven is “uit” en wordt als ouderwets bestempeld. Inspiratie overbrengen of enthousiasme voor een mooi vak wordt daarmee heel moeilijk . Het puberbrein heeft echter juist die sturing en input nodig van een wijs en vakbekwaam iemand. Of zoals Klaasen zelf aangeeft: “De filosofie van het zelfstandig leren schiet ernstig tekort”
Lesgeven is ware kunst in die zin dat het een voortdurend proberen is om een vertrouwensband te creëren met de leerling(en) en dat vereist behalve intuïtie ook veel ervaring om een leerling te begrijpen en precies aan te voelen welke aanpak gepast is. Dan bestaat er een kans dat er een klik ontstaat en het bekende kwartje valt. Klaasen maakt duidelijk dat het vak van leraar geen gemakkelijk te leren vak is. Naast levenservaring en een sterke persoonlijkheid heeft een goede leraar ook veel vakkennis nodig en beschikt hij/zij over kunstzinnige vaardigheden.
“Geen onderwijssituatie is dezelfde, elke situatie is eenmalig en dus steeds weer anders”. Het oog en oor van de meester zijn broodnodig om het juiste te doen. Klaasen komt daarmee tot de stelling: “Onderwijs is een kunstzinnige activiteit omdat het gaat om geïnspireerd denken en handelen”!
“Wat er in een onderwijssetting gebeurt is niet te manipuleren of van buitenaf te sturen”. Er is volgens Klaasen geen direct verband tussen onderwijsinspanningen en het onderwijsresultaat, al gaan overheid en onderwijsinspectie daar wel nog steeds van uit. Politici, ambtenaren, schoolbestuurders, raden van toezicht, onderwijskundigen, inspecteurs en ontelbare vertegenwoordigers van onderwijsoverlegorganen mengen zich allemaal in het onderwijsdebat en de –praktijk zonder dat zij “het monopolie van de ervaring hebben”.
In de kunstsector zou iedereen het belachelijke ervan direct inzien.
Een goede leraar beschikt over “een wonderlijk mengsel van talent, inzet, ervaring, kennis, creativiteit en idealisme”. Die zijn nu eenmaal individueel van aard en aan personen gebonden en dus moeilijk aan te leren via een opleiding.
Een andere belangrijke constatering van Klaasen is, dat in het onderwijsdomein de leraar zowel wetgever, rechtshandhaver als rechter is. Al deze rollen goed combineren is al een kunst op zich.
Klaasen pleit voor vrijheid van onderwijs in de meest brede zin van het woord zonder deze in een abstracte formulering te beschrijven in zijn boek. De auteur laat zien goed op de hoogte te zijn van de actuele ontwikkelingen van competentie-onderwijs, prestatieafspraken in het onderwijs etc. zonder daar veel vertrouwen in te hebben. Integendeel. Het roer moet radicaal om !.
Klaasen stelt dat we naast een economische of financiële crisis ook in een ernstige onderwijscrisis verkeren.
Naar het verleden kijkend vanaf Aristoteles, Socrates tot Steiner en Humboldt is Onderwijs altijd kunst geweest, maar “blijkbaar is er een impliciet weten verloren gegaan”. De wetenschappelijke benadering blijkt ernstig tekort te schieten.
In het boek komen in het eerste deel onderwijs en opvoeding aan bod en in het tweede deel een antropologische verkenning. Belangrijke inspiratiebronnen waren voor Klaasen de fenomenologische school (Buitendijk, Strasser, Van den Berg, Kwant etc.) , de geesteswetenschap van Rudolf Steiner en het oevre van Cornelus Verhoeven.
Zonder empirische bewijzen probeert Klaasen de lezer met gezonde, heldere logica te overtuigen. Een nadeel van het boek is het ontbreken van enige illustraties of schema’s en verder is de inhoudsopgave ook niet echt verhelderend. Een aanzet voor een pedagogische antropologie zal niet veel mensen aanspreken. De heer Klaasen is wel bescheiden en stelt geen “uitgewerkte voorstellen te hebben, maar alleen aanknopingspunten”.
Oud-Vrije Schoolleerkracht Jan Klaasen heeft in mijn leven een belangrijke rol gespeeld. Hij was ooit spreker op de Technische Universiteit te Eindhoven in een door studium generale georganiseerde thema-avond over geestelijke stromingen. Hij introduceerde daar de antroposofie bij een groep belangstellenden, terwijl anderen meer belangstelling hadden voor oosterse stromingen zoals van goeroe Baghwan.
Later heeft Klaasen ook lessen antroposofie gegeven (o.a. over 12 zintuigen) in de nascholingscursus voor Vrije Schoolleerkrachten en belangstellende ouders waar ik ook deelnemer was. Om die reden ben ik Jan Klaasen dankbaar omdat ik via hem de antroposofie heb leren kennen.
Het boek Onderwijs en de kunst van het lesgeven is een aanrader voor onderwijsadepten die vol overtuiging pleiten voor iets anders, zoals we dat ook van de leden van Beter Onderwijs Nederland kennen.
dinsdag 10 juli 2012
Vrijescholen en Sociale Driegeleding
Onderstaand artikel zal geplaatst worden in het Michaelsnummer Okt. 2012
Ingezonden reactie op drieluik “Waardebetrokken Handelen” van A. Sijens in Lerarenbrieven
Als echtgenoot van een vrijeschoolleerkracht, medeoprichter van een vrijebasisschool, oud-bestuurslid en voorzitter van een vrijeschool-medezeggenschapsraad en lid van de projectgroep voor Nieuwbouw Novaliscollege te Eindhoven, ben ik al jaren geïnteresseerd in de ontwikkeling van vrijescholen en lees ik ook meestal de Lerarenbrieven.
De sociale driegeleding heeft daarin altijd mijn bijzondere aandacht gehad en na jarenlange studie heb ik ook een theoretische bijdrage willen leveren door het laten verschijnen van een boek, Trias Politica Ethica.
Vandaar dat ik de artikelen van mevr. A. Sijens met grote belangstelling heb gelezen, ook omdat ik haar nog ken uit de tijd dat zij als organisatieadviseur was ingehuurd door het Novaliscollege (of diens rechtsvoorganger de Vrije School Brabant).
Na lezing van het artikel was ik echter zeer verbaasd over de wijze waarop het gedachtengoed van de sociale driegeleding wordt uitgelegd en gehanteerd, en vandaar deze reactie.
De Vrije Schoolbeweging en de Sociale Driegeledingsbeweging hebben al decennialang een moeizame relatie gehad zoals ook heel duidelijk is gemaakt in het boek van Dieter Brüll Vrije School en sociale driegeleding uit 2001 (uitgeverij Nearchus).
Vrijescholen zien vaak het belang van sociale driegeleding in hun eigen organisatie niet in, met als gevolg, zoals Dieter Brüll het formuleert: “Zonder vorm is de geest werkloos”.
Rudolf Steiner heeft de sociale driegeleding beschreven in 1919 en uitgelegd als ideale maatschappijvorm. De essentie is een driegelede macro-sociale visie waarbij een rechtsleven onderscheiden dient te worden van een economisch en geestesleven. In ieder van de drie geledingen gelden kernwaarden. Bij het geestesleven de vrijheid, bij het rechtsleven de gelijkheid en bij het economisch leven de broederschap of solidariteit.
Binnen de driegeledingsbeweging is er een kleine groep met als belangrijkste boegbeelden Dieter Brüll, Mouringh Boeke en John Hogervorst, die stellen dat de sociale driegeleding ook op mesoniveau (dus in organisaties en instituties) kan worden toegepast. Het gaat er dus om rechtsvragen te onderscheiden van economische opgaven en geestelijke idealen. Die verschillende vragen zouden in verschillende structuren of organen besproken moeten worden vanuit de bijbehorende principes. Dat is de essentie en ook terug te lezen in het prachtige boek "De sociale impuls van de antroposofie" van Dieter Brüll.
Nu naar de kern van mijn bezwaren tegen de artikelen van Mevr. Sijens. Zij is kennelijk onvoldoende op de hoogte wat de sociale driegeleding, zoals bedoeld en beschreven door Rudolf Steiner, betekent. De sociale driegeleding is zelfs op te vatten als maatschappijwetenschap die voldoet aan de hoogste academische eisen (zie ook de promotie van Christward Dieterman getiteld "Trias Ethica" Universiteit Leiden, 23 oktober 2007). Naar mijn mening kun je de sociale driegeleding dus niet zomaar willekeurig gebruiken zoals Mevr. Sijens doet.
Zo suggereert zij dat er "een samenhang is tussen de basale waarden veiligheid, vertrou-wen en vitaliteit en de drie geledingen van het sociale leven". Rudolf Steiner heeft inderdaad basale waarden van vrijheid, gelijkheid en broederschap gekoppeld aan de verschillende sociale of maatschappelijke geledingen.
Mevr. Sijens vervangt deze waarden nu door geheel andere waarden, hetgeen zeer verwarrend is. Iets vergelijkbaars doet Mevr. Sijens daar waar ze “de drieledigheid van de mens (denken, voelen en willen) in iedere geleding gaat plaatsen”. Ze maakt totaal niet duidelijk waarom het zinvol is om in iedere geleding het denken, voelen en willen te onderscheiden.
Rudolf Steiner heeft wel geschreven dat hij het idee van de maatschappelijke of sociale driegeleding ontleend heeft aan het concept van de drieledigheid van de mens, maar dat is totaal iets anders dan dat er een samenhang is tussen de drieledigheid van denken, voelen en willen of handelen en sociale driegeleding.
Een citaat: “Het geestesleven wordt zichtbaar in de professionaliteit van de medewerkers en de cultuur die zij met elkaar scheppen. Een veilig leer- en werkklimaat schept daarvoor de basis” en dus is veiligheid volgens Sijens een basale waarde!?? Natuurlijk is veiligheid een basale waarde voor een mens, in een organisatie en ook samenleving, maar niet speciaal of alleen voor het geestesleven!! De Amerikaanse psycholoog Maslow heeft dat al een eeuw geleden beschreven (piramide van Maslow).
Het gaat hier dus niet alleen om een semantisch verschil tussen kern- of basiswaarde en basale waarde.
Volgens Mevr. Sijens hangt “het economisch leven samen met de relatie van de school met de zich ontwikkelende markt”. Volgens Dieter Brüll gaat het bij het economisch leven om het bevredigen van behoeften en gaat het om het beheren van economische, schaarse goederen en dat moet je zo economisch (efficiënt en effectief) mogelijk doen. Dat is dus veel breder dan alleen de marketingfunctie die Sijens noemt.
Het is voor mij nog enigszins te begrijpen dat in het geestesleven de zielenkwaliteit ‘denken’ omschreven kan worden als kennis, maar waarom in het rechtsleven als bevrijding en in het economisch leven als i>herhaling?? De manier waarop mevr. Sijens begrippen hanteert en in verband brengt met andere antroposofische concepten, draagt helaas niet bij aan een beter inzicht. Juist dat laatste is volgens mij noodzakelijk om in vrijescholen de sociale driegeleding tot leven te brengen !
P.S. Voor degenen die niet genoeg hebben aan de kennis uit de eerder genoemde boeken, is er ook de opleiding Sociale Driegeleding "Impuls", die jaarlijks wordt gegeven door John Hogervorst en anderen bij cursuscentrum De Zonneboom in Leiden.
Ingezonden reactie op drieluik “Waardebetrokken Handelen” van A. Sijens in Lerarenbrieven
Als echtgenoot van een vrijeschoolleerkracht, medeoprichter van een vrijebasisschool, oud-bestuurslid en voorzitter van een vrijeschool-medezeggenschapsraad en lid van de projectgroep voor Nieuwbouw Novaliscollege te Eindhoven, ben ik al jaren geïnteresseerd in de ontwikkeling van vrijescholen en lees ik ook meestal de Lerarenbrieven.
De sociale driegeleding heeft daarin altijd mijn bijzondere aandacht gehad en na jarenlange studie heb ik ook een theoretische bijdrage willen leveren door het laten verschijnen van een boek, Trias Politica Ethica.
Vandaar dat ik de artikelen van mevr. A. Sijens met grote belangstelling heb gelezen, ook omdat ik haar nog ken uit de tijd dat zij als organisatieadviseur was ingehuurd door het Novaliscollege (of diens rechtsvoorganger de Vrije School Brabant).
Na lezing van het artikel was ik echter zeer verbaasd over de wijze waarop het gedachtengoed van de sociale driegeleding wordt uitgelegd en gehanteerd, en vandaar deze reactie.
De Vrije Schoolbeweging en de Sociale Driegeledingsbeweging hebben al decennialang een moeizame relatie gehad zoals ook heel duidelijk is gemaakt in het boek van Dieter Brüll Vrije School en sociale driegeleding uit 2001 (uitgeverij Nearchus).
Vrijescholen zien vaak het belang van sociale driegeleding in hun eigen organisatie niet in, met als gevolg, zoals Dieter Brüll het formuleert: “Zonder vorm is de geest werkloos”.
Rudolf Steiner heeft de sociale driegeleding beschreven in 1919 en uitgelegd als ideale maatschappijvorm. De essentie is een driegelede macro-sociale visie waarbij een rechtsleven onderscheiden dient te worden van een economisch en geestesleven. In ieder van de drie geledingen gelden kernwaarden. Bij het geestesleven de vrijheid, bij het rechtsleven de gelijkheid en bij het economisch leven de broederschap of solidariteit.
Binnen de driegeledingsbeweging is er een kleine groep met als belangrijkste boegbeelden Dieter Brüll, Mouringh Boeke en John Hogervorst, die stellen dat de sociale driegeleding ook op mesoniveau (dus in organisaties en instituties) kan worden toegepast. Het gaat er dus om rechtsvragen te onderscheiden van economische opgaven en geestelijke idealen. Die verschillende vragen zouden in verschillende structuren of organen besproken moeten worden vanuit de bijbehorende principes. Dat is de essentie en ook terug te lezen in het prachtige boek "De sociale impuls van de antroposofie" van Dieter Brüll.
Nu naar de kern van mijn bezwaren tegen de artikelen van Mevr. Sijens. Zij is kennelijk onvoldoende op de hoogte wat de sociale driegeleding, zoals bedoeld en beschreven door Rudolf Steiner, betekent. De sociale driegeleding is zelfs op te vatten als maatschappijwetenschap die voldoet aan de hoogste academische eisen (zie ook de promotie van Christward Dieterman getiteld "Trias Ethica" Universiteit Leiden, 23 oktober 2007). Naar mijn mening kun je de sociale driegeleding dus niet zomaar willekeurig gebruiken zoals Mevr. Sijens doet.
Zo suggereert zij dat er "een samenhang is tussen de basale waarden veiligheid, vertrou-wen en vitaliteit en de drie geledingen van het sociale leven". Rudolf Steiner heeft inderdaad basale waarden van vrijheid, gelijkheid en broederschap gekoppeld aan de verschillende sociale of maatschappelijke geledingen.
Mevr. Sijens vervangt deze waarden nu door geheel andere waarden, hetgeen zeer verwarrend is. Iets vergelijkbaars doet Mevr. Sijens daar waar ze “de drieledigheid van de mens (denken, voelen en willen) in iedere geleding gaat plaatsen”. Ze maakt totaal niet duidelijk waarom het zinvol is om in iedere geleding het denken, voelen en willen te onderscheiden.
Rudolf Steiner heeft wel geschreven dat hij het idee van de maatschappelijke of sociale driegeleding ontleend heeft aan het concept van de drieledigheid van de mens, maar dat is totaal iets anders dan dat er een samenhang is tussen de drieledigheid van denken, voelen en willen of handelen en sociale driegeleding.
Een citaat: “Het geestesleven wordt zichtbaar in de professionaliteit van de medewerkers en de cultuur die zij met elkaar scheppen. Een veilig leer- en werkklimaat schept daarvoor de basis” en dus is veiligheid volgens Sijens een basale waarde!?? Natuurlijk is veiligheid een basale waarde voor een mens, in een organisatie en ook samenleving, maar niet speciaal of alleen voor het geestesleven!! De Amerikaanse psycholoog Maslow heeft dat al een eeuw geleden beschreven (piramide van Maslow).
Het gaat hier dus niet alleen om een semantisch verschil tussen kern- of basiswaarde en basale waarde.
Volgens Mevr. Sijens hangt “het economisch leven samen met de relatie van de school met de zich ontwikkelende markt”. Volgens Dieter Brüll gaat het bij het economisch leven om het bevredigen van behoeften en gaat het om het beheren van economische, schaarse goederen en dat moet je zo economisch (efficiënt en effectief) mogelijk doen. Dat is dus veel breder dan alleen de marketingfunctie die Sijens noemt.
Het is voor mij nog enigszins te begrijpen dat in het geestesleven de zielenkwaliteit ‘denken’ omschreven kan worden als kennis, maar waarom in het rechtsleven als bevrijding en in het economisch leven als i>herhaling?? De manier waarop mevr. Sijens begrippen hanteert en in verband brengt met andere antroposofische concepten, draagt helaas niet bij aan een beter inzicht. Juist dat laatste is volgens mij noodzakelijk om in vrijescholen de sociale driegeleding tot leven te brengen !
P.S. Voor degenen die niet genoeg hebben aan de kennis uit de eerder genoemde boeken, is er ook de opleiding Sociale Driegeleding "Impuls", die jaarlijks wordt gegeven door John Hogervorst en anderen bij cursuscentrum De Zonneboom in Leiden.
Abonneren op:
Posts (Atom)






