donderdag 27 januari 2011

Prominente antroposoof overleden



In memoriam Prof. Mr. Jan Vis (1933-2011)






Wie jou in volle levenskracht
in je waarde kon herkennen
hem werd door jou geopenbaard
hoe milde kracht en waarheidszin
uit harte- en uit zielegrond
in de mens gestalte krijgen

R.Steiner

Voor het eerst gepubliceerd op dit weblog 27 januari 2011

Deze tekst stond boven de overlijdensadvertentie die de familie van Jan Vis in het NRC liet plaatsen op 26 januari 2011 jongstleden.
Veel mensen kennen Jan Vis als emeritus hoogleraar Staatsrecht aan de faculteit voor Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit te Groningen waar hij tot 1995 actief is geweest en ook een aantal jaren als decaan. Nog meer bekendheid heeft hij gehad als prominent lid van D’66 al vanaf het eerste uur van die partij. Namens die partij was hij ook jarenlang 1e Kamerlid en fractievoorzitter in die Raad. Daarna is Jan Vis benoemd als lid van de Raad van State. Jan Vis heeft ook een rol gespeeld als mede-informateur bij de totstandkoming van het eerste paarse kabinet Kok in 1994.

Veel minder bekend is dat hij vooral geïnspireerd is geweest door de antroposofie en ook veel bestuurlijk werk heeft verricht voor een groot aantal antroposofische initiatieven. Zo was Jan Vis van 1995 tot 2006 lid van de Raad van Commissarissen van de Triodos Bank en later ook nog als adviseur voor deze bank. Daarnaast is hij ook bestuurslid geweest bij Dialoog, de Stichting ter bevordering van Dynamische Oordeelsvorming dat opgericht is door Lex Bos. Verder was hij ook lid van de Raad van Toezicht van de Arta-Lievegoedgroep. En een tijd lang was hij ook voorzitter van de Vereniging Vrije School te Groningen tot 1994 en lid van het curatorium van de Vrije Hogeschool te Driebergen tot 1991.

Jan Vis was de zoon van Dirk Vis, kunstschilder en later directeur van de Rietveld Academie te Amsterdam en zijn moeder was drs. G. Britzel. Jan Vis heeft de vrije basisschool gevolgd in Bergen gedurende de oorlogsjaren 1940-1945. Zijn middelbare schoolperiode heeft hij doorlopen op het gymnasium in Alkmaar, gevolgd door een journalistenopleiding aan de gemeentelijke universiteit van Amsterdam.
Na een jarenlange journalistieke carrière met als hoogtepunt politiek redacteur bij NRC Handelsblad (tot 1973), kreeg zijn levensloop een andere wending.
Na een avondstudie Rechten te Rotterdam (1967-1971) ging hij de wetenschap in.
Kort daarna werd hij ondanks protesten van de minister, omdat hij niet gepromoveerd was, toch benoemd eerst als lector en later als hoogleraar in Groningen.

Van zijn hand zijn meerdere publicaties verschenen zonder dat ze meteen zijn antroposofische achtergrond verraden.
- Parlement en Politiek (1977 samen met J. van den Berg)
- Rechtsstaat en Verzorgingsstaat (1978)
- De ontbinding van het parlement (1987)
- Verdelen en heersen (1995)

Hij moet een zeer gedreven en energieke man zijn geweest, die zoveel wetenschap-pelijke, politieke en bestuurlijke activiteiten wist te combineren op zo’n breed maatschappelijk gebied. Het plotselinge overlijden is voor zijn familie een groot verlies, maar ook voor de antroposofie en de werkgebieden een enorme aderlating. Toch mogen we dankbaar zijn voor het vele opbouw- en ontwikkelingswerk dat hij heeft verricht .
Kenmerkend voor zijn denken was de uitspraak “dat de politiek overgenomen was door economen, maar dat de cultuur steeds belangrijker wordt.” In zijn beknoptheid wel een teken dat hij leefde vanuit de geest van de Sociale Driegeleding.

donderdag 9 december 2010

Vrijheid van Onderwijs

Onderstaand artikel is ook verschenen op de SP-website, afdeling Eindhoven in de rubriek nieuws vanaf 10 december 2010

Adviezen voor verhoging van de Onderwijskwaliteit.

Deze week zijn er weer nieuwe plannen bekend gemaakt door minister Marja van Bijsterveldt voor de middelbare scholen. In plaats van de vier profielen gaan we misschien weer terug naar het vroegere Alfa- en Bètaprofiel. De minister moet haar plannen nog uitwerken en daarna voor advies voorleggen aan de Onderwijsraad en Raad van State. Dus gaat er nog zeker enige jaren overheen voordat deze onderwijsveranderingen ingevoerd worden.
Vrijwel tegelijkertijd zijn nu ook de resultaten bekend geworden van het nieuwe PISA onderwijsonderzoek in 65 landen. Daarbij wordt bij 15- jarige scholieren het kennisniveau gemeten voor leesvaardigheid en de vakken wiskunde en natuurwetenschappen. Nederland is nu gezakt naar een 10e plaats, terwijl de regering graag met Nederland wil uitkomen bij de top 5.


De vraag is of de voorgestelde veranderingen daaraan zullen bijdragen.
Sinds de resultaten van de parlementaire commissie Dijsselbloem bekend zijn, streeft men ernaar om alleen nog wijzigingen in het onderwijs door te voeren als deze “evidence based” zijn. In de praktijk moet eerst bewezen zijn dat de resultaten erdoor verbeteren.

Interessant in dit verband zijn juist deze PISA onderzoeken. Daaruit blijkt al jaren dat Finland er in positieve zin steeds uitspringt. Ook in het nieuwste onderzoek heeft Finland de hoogste score van alle Europese landen. Bij leesvaardigheid staan ze op de 3e plaats na China en Korea. Bij natuurwetenschappen op de 2e plaats na China.
Verrast door deze (en ook eerdere scores) zijn inmiddels veel onderzoekers en ambtenaren van het ministerie van Onderwijs gaan kijken in Finland. Wat doen zij anders en/of beter?

Vergeleken met Nederland hebben Finse leerlingen minder lessen en zijn de klassen kleiner. Nog belangrijker is de hogere opleidingsgraad en status van leraren in Finland. Het belangrijkste echter is het feit dat de Finse regering ooit de moed heeft gehad om centrale verplichte examens helemaal af te schaffen! De scholen hebben daarmee de volledige vrijheid terug gekregen. De overheid stelt alleen minimumeisen aan de hoeveelheid lesuren per leeftijdsgroep en het opleidingsniveau van de leerkracht. Deze moeten een universitaire opleiding hebben alvorens voor de klas te mogen staan.

Dus anders dan het voorstel van de VVD om hogere en zwaardere profiel- en vak-eisen te stellen, meer verplichte examens (ook al in de onderbouw) af te nemen moeten we dat juist niet doen.

Het onderwijs wordt in het ideale geval weer teruggegeven aan competente leraren die het beste weten hoe en welke de stof ze moeten overdragen. Het vertrouwen over de kwaliteit is terug waar het hoort, namelijk in de relatie tussen leerkracht, ouder en leerling.

Een klein stapje in de goede richting is het in najaar 2019 gedane voorstel om lagere en middelbare scholen de vrijheid te geven om 30% van de lessen naar eigen inzicht in te vullen. Nu is het lesaanbod grotendeels dichtgetimmerd door het landelijk voorgeschreven lespakket. Het nieuwe lespakket moet in schooljaar 2023-2024 overal zijn ingevoerd. Zo krijgen leerkrachten en docenten toch een beetje de ruimte om naar eigen inzicht te handelen. Een aardig begin of toch nog steeds teveel overheidsbemoeienis?

De overheid moet zich niet moeten bemoeien met het onderwijs en de ontwikkeling van het kind tot een zelfstandige, evenwichtige, volwassen mens en verantwoordelijke burger moet voorop staan en niet de onderwijsdoelen die aansluiten op de vraag van de samenleving, de arbeidsmarkt en het onderwijs zelf !
Bijkomend voordeel is dat we het hele ministerie van Onderwijs kunnen opheffen en dat scholen gevrijwaard zijn van veel bureaucratische rompslomp. Met dat vrijgekomen geld kunnen we dan ook leerkrachten beter belonen, waardoor het aanzien van het beroep verbetert.

donderdag 26 augustus 2010

Renate Riemeck in opspraak

Renate Riemeck en Ulrike Meinhof: een complexe geschiedenis.
Voor het eerst gepubliceerd op dit weblog augustus 2010



Iedereen kent natuurlijk Ulrike Meinhof (1934-1976) van de Baader-Meinhofgruppe die ook bekend als Rote Armee Fraktion (RAF) terroristische aanslagen pleegde in Duitsland in de jaren 70 van de vorige eeuw. Zij werd later opgepakt, kreeg een lange gevangenisstraf en pleegde officieel zelfmoord. Een tragische geschiedenis ook al omdat zij een Waldorfscholiere was, een uitstekende studente en een kritisch journaliste.
Renate Riemeck (overleden in 2003) geniet geen landelijke bekendheid. Zij was antroposofisch geïnteresseerd en lid van de Christengemeenschap vanaf 1941, toen deze nog officieel verboden was. Zij werd de jongste vrouwelijke hoogleraar Geschiedenis aan de Pädagogische Hochschule Wuppertal in Duitsland en vooral bekend door haar boek “Midden europa balans van onze eeuw” (2004) en een kleiner boekje “Op zoek naar Midden europa” .
Beide boekjes worden veel gelezen door geïnteresseerden in de Sociale Driegeleding. Een bijzondere lot heeft deze mensen bij elkaar gebracht.



Pas vrij recent (zie *1) is in bredere kring bekend geworden dat Renate Riemeck een hartsvriendin van de moeder van Ulrike en haar zus Wienke is geweest. Na de dood van Ulrike’s moeder in 1949 werd zij voogd en stiefmoeder en vormden gezamenlijk een huishouding. Ulrike was toen een 15-jarige puber voor wie het verlies van haar moeder groot geweest moet zijn, zeker omdat negen jaar daarvoor ook al haar vader Werner Meinhof was overleden. De schok moet ook zeer groot zijn geweest toen ze op latere leeftijd te horen kregen wat het ideëengoed van haar vader was geweest.
Haar vader Werner Meinhof was een kunsthistoricus, maar ook omstreden omdat hij lid was van de nazipartij NSDAP. Behalve prominent lid was hij ook een van de nazi-ideologen omdat hij lezingen gaf “ter bevordering van alle soorten kunst van het Duitse ras”,
In 1936 werd hij museumdirecteur in Jena en werkte mee aan de zuivering door kunstwerken in het kader van “Entartete Kunst” te overhandigen aan een commissie ingesteld door Goebbels.






Riemeck studeerde Geschiedenis en Kunstgeschiedenis en promoveerde op een dissertatie over middeleeuwse Ketterbewegingen.
Renate Riemeck was tijdens WOII professor aan de Universiteit van Jena en assistent, net als de moeder van Ulrike Meinhof, van professor Johann von Leers.
Von Leers was een uitgesproken antisemiet en bekleedde een hoge SS functie. Hij schreef boeken als “Die Verbrechernatur der Juden” en “Odal: Das Lebensgesetz eines ewigen Deutschlands”. Na de oorlog vluchtte hij naar Egypte en overleed in 1965.
Van Riemeck is ook bekend geworden dat zij lid is geweest van de NSDAP, vanaf oktober 1941, hoewel ze zelf altijd heeft aangegeven dat zij in het ondergrondse verzet zat.
Kort voor het einde van de oorlog vluchtte Riemeck en de twee meisjes Meinhof uit Jena naar Oldenburg. Daar werd zij docente aan de Lerarenopleiding. Na de oorlog werd ze lid van de Socialistische Partei Deutschland (SPD) en in 1955 hoogleraar geschiedenis en politicologie. Riemeck werd actief pacifiste als medeoprichter van de Duitse Vredesbeweging, voerde strijd tegen Atoomwapens en streed tegen militaire dienstplicht.
In 1960 raakte zij in opspraak vanwege haar sympathieën en contacten met verdachte organisaties uit de toenmalige DDR en werd haar universitaire bevoegdheid afgenomen op gezag van de minister van Cultuur, waarna zij zelf ontslag nam.
In 1971 heeft Riemeck in een publicatie haar stiefdochter Ulrike opgeroepen om de gewapende strijd tegen de samenleving en overheid op te geven. De relatie met Ulrike was al sinds eind 1962 beëindigd nadat Ulrike het contact had verbroken.
Een soort professionele rehabilitatie kwam in 1979 toen ze opnieuw een leeropdracht kreeg in de Pedagogiek aan de Universiteit Marburg.
Men verwijt Riemeck dat ze het foute oorlogsverleden van de hele familie Meinhof en van zichzelf heeft herschreven. Dat neemt niet weg dat iedereen zelf moeten oordelen over het geschreven werk van Riemeck.

Ulrike Meinhof werd in navolging van haar stiefmoeder ook lid van de SPD maar schoof later op naar links door in 1959 illegaal lid te worden van de toen verboden Communistische Partij (KPD). Kort daarna leerde ze Klaus Röhl kennen die werkte voor het linkse blad Konkret. Meinhof ging als journaliste schrijven voor dit blad en werd later hoofdredacteur. In 1961 trouwde Ulrike met Röhl en beviel ruim een jaar later van een tweeling Regine en Bettina. In de 7e maand van de zwangerschap werd een gezwel in haar hersenen geconstateerd, dat later wel goedaardig bleek te zijn maar waarvoor toch een zware operatie nodig was. Haar dochter Bettina (*2) heeft later geschreven dat deze operatie er mogelijk voor gezorgd heeft dat haar moeder hierdoor een volledige persoonlijkheidsverandering onderging.
Velen hebben zich afgevraagd hoe een intelligente vrouw en succesvolle journaliste evolueert tot een terroriste. Met Meinhof als hoofdredacteur werd het tijdschrift Konkret een succesnummer met een oplage van 250.000 exemplaren Zij was jaren lid van de SPD, een partij die als antimilitaristisch en antifascistisch werd beschouwd. Ze raakte teleurgesteld in die partij omdat Duitsland toch weer een leger kreeg en de communistische partij verbood en zelfs contacten met de DDR al verdacht waren.
Ze voerde daarom meer buitenparlementaire oppositie en stond aan de basis van “nieuw Links”. In 1968 werd een groot Vietnamcongres gehouden waar haar goede vriend Rudi Dutschke een voordracht had gehouden. Deze overleed korte tijd later na een aanslag. In dat jaar gingen Ulrike Meinhof en Röhl ook uit elkaar.
Nadat Ulrike in 1970 op spectaculaire wijze Andreas Baader uit gevangenschap heeft weten te bevrijden, moest ze onderduiken. Baader zat een gevangenisstraf uit vanwege brandstichting in twee warenhuizen. Meinhof leefde twee jaar in de illegaliteit en radicaliseerde steeds meer, mogelijk door dit isolement. In die tijd nam Meinhof ook actief deel aan een aanslag op het hoofdkwartier van Uitgeversbedrijf Axel Springer, dat een bolwerk was van conservatisme. De telefonische bommelding vooraf deed Ulrike zelf, maar werd niet serieus genomen. Het gevolg was 17 gewonden. In juni 1972 werd Meinhof opgepakt en geplaatst in een onderzoeksprogramma van de universiteitskliniek van Homburg, waar ze als proefkonijn diende. Zo werd ze langdurig opgesloten in een donkere en geluidsgeïsoleerde ruimte. Vier jaar later werd ze dood aangetroffen in haar cel in de gevangenis van Stuttgart. De diagnose was zelfmoord door ophanging al wordt door sommigen beweerd dat ze mogelijk daarbij geholpen is. Haar linkervoet stond namelijk nog op de stoel, die normaal gesproken juist weggeschopt wordt.
Een bewogen leven dat historici nog lang zal blijven boeien.

*1. Jutta Ditfurth: Ulrike Meinhof(zie ook NRC 13 augustus 2019,boekbespreking door Elsbeth Etty)
*2. Bettina Röhl (dochter van Ulrike Meinhof) met het boek “So macht Kommunismus Spass” 2006
*3. Renate Riemeck: “Ich bin ein Mensch für mich: Aus einem unbequemen Leben” 1992

zondag 27 december 2009

Identiteit van vrijescholen

Is een missiedocument de oplossing? 
Voort het eerst gepubliceerd op dit weblog december 2009

In oktober van dit jaar was de eerste van drie regiobijeenkomsten waar met geïnteresseerden gesproken kon worden over de identiteit van vrijescholen mede op basis van een door het bestuur van de vereniging van vrijescholen opgestelde discussienota.
De als bijlage meegestuurde nota “project identiteit van vrijescholen” is door Annemarie Sijens opgesteld en na een aantal discussiebijeenkomsten bijgesteld.
Dit onderwerp is steeds meer van belang omdat vrijescholen in de pers steeds vaker onder vuur komen te liggen en er nu gekozen is voor een proactieve opstelling.
Sinds de Vereniging van vrijescholen met de staatssecretaris van onderwijs Mevr. Tineke Netelenbos in 1998 een overeenkomst heeft gesloten zijn alle middelbare vrijescholen verworden tot een schoolgemeenschap voor Vmbo-t, Havo en VWO. Het gevolg is ook dat reguliere examens moeten worden afgenomen en het eigen vrijeschoolleerplan steeds meer onder druk is komen te staan. Een groep kritische ouders die na tien jaar een evaluatie van dit zogenaamde project 2000 wilden houden werden hierin niet gesteund door de vereniging van vrijescholen.
In de nota komen de volgende vragen aan bod:
1. Wat verbindt en inspireert ons?
2. Hoe verwerkelijken wij de identiteit van vrijescholen?
3. Hoe realiseren we ons ideaal op aarde?

Vrijescholen of Waldorfscholen zoals ze in het buitenland worden genoemd vormen een aparte categorie in het bijzonder onderwijs waar ook andere vormen van vernieuwingsonderwijs zoals Jenaplan- , Montessori-, Freinet-,Deltaplanscholen en sinds kort Iederwijsscholen toe behoren. Rudolf Steiner heeft begin 1900 de grondslag gelegd voor deze onderwijssoort die de ontwikkeling van het kind vanuit een geesteswetenschappelijke achtergrond als uitgangspunt nam. Deze vorm van onderwijs zou alleen ontwikkelingsstof moeten bieden om het unieke individu uit te dagen en te stimuleren om naar eigen aanleg en vaardigheden tot ontwikkeling te komen. Onderwijs is daarmee een vorm van opvoedkunst en geen opvoedkunde.Steiner werkte ook vanuit de visie dat ieder kind in een notendop de gehele mensheidsontwikkeling doormaakt. Het onderwijs zou daar inhoudelijk opmoeten aansluiten.
Het vrijeschoolonderwijs spreekt ook de hele mens aan in denken, voelen en willen. Kunstzinnige vakken en ambachtelijke vaardigheden net net zo belangrijk als intellectuele vorming.
Tijdens de regiobijeenkomst die geleid werd door Jan Alfrink konden drie stellingen in werkgroepen bediscussieerd en daarna plenair teruggekoppeld worden.
De stellingen waren:
1. De identiteit van de vrijeschool kan slechts tot uitdrukking komen als het lukt om de antroposofie/geesteswetenschap zichtbaar te maken.
2. De identiteit van de vrijeschool kan alleen tot wasdom komen als de schoolbeweging ook in het onderwijsveld meer haar stem laat horen.
3. Hoe kan de identiteit van een vrije school betekenis krijgen als ze zich niet op het maatschappelijk/politieke veld beweegt.
Onder de vrij kleine groep van zo’n 20 deelnemers bevonden zich enkele leerkrachten maar vooral oud-ouders en oud-bestuursleden. Vanuit die laatste twee groepen klonk vooral een hang naar het verleden toen vrijescholen nog volop in ontwikkeling waren en veel activiteiten naar buiten organiseerden. Leerkrachten, met name uit het basisonderwijs, klaagden over de geweldig toegenomen administratieve last (bijna iedere dag moet het leerlingvolgsysteem worden bijgewerkt), de weinige ruimte die naast de verplichte les- en leerstof beschikbaar is voor ontwikkelingsstof , het overmatig toetsen en de geringe betrokkenheid bij beleid en management van de eigen school.
Daarmee werd meteen duidelijk dat een breed gedragen nota of missiedocument over de identiteit geen eind zal maken aan de dagelijkse worstelingen waar een vrijeschoolleraar mee te maken heeft . Enerzijds wil hij/zij werken aan het vrijeschool ideaal en leerplan en daarnaast moet hij/zij voldoen aan de eisen van de overheid. Dat is een onmogelijke spagaat. De overheid zou tot het besef moeten komen, indachtig het onderwijssysteem in Finland, dat het onderwijs alleen een zaak is van professionele leerkrachten, ouders en kinderen.
De overheid moet vertrouwen geven en geen wantrouwen verpakken in eisen en regels!

maandag 15 december 2008

Meer vrijheid voor Onderwijs?

Voorstellen voor verbetering Onderwijs, voor het eerst gepubliceerd op dit weblog in 2008

De afgelopen week was het onderwijs op meerdere manieren in de actualiteit.
Eerst was er het voorstel van minister Plasterk, waarin hij ervoor pleit dat de schoolkeuze voor kinderen na de basisschool láter plaatsvindt.
"We selecteren nu te vroeg, waardoor we talent verspelen. Want als je eenmaal op het vmbo begint, maar toch genoeg in je mars hebt om de universiteit te halen, wordt de lange route via het mbo en hbo haast onvermijdelijk", aldus de minister.
Helaas kreeg hij weinig bijval van het kabinet en het parlement.
In de Volkskrant deden Rinnooy Kan en Louise Fresco (voorzitter en lid van de SER) een oproep voor een tweede schoolstrijd . Een aardig idee maar in hun uitwerking niet echt vernieuwend, zoals ook in het webtijdschrift van Ton Jansen (http://www.mens-en-wereld.nl/, zie artikel van 15 dec. j.l.), duidelijk uit de doeken wordt gedaan.



Het beste voorstel dat wel meteen steun kreeg vanuit de regering en het parlement was het voorstel van de Raad voor het Primair Onderwijs (PO-raad) om de Cito-toets bij kinderen in groep 8 van de basisschool niet in februari maar in juni te gaan afnemen. Groot voordeel is dat daarmee het schooladvies van de leerkracht doorslaggevend gaat worden bij de keuze van het vervolgonderwijs.
De Cito-uitslag verwordt dan tot slechts een “second opinion”!

dinsdag 16 september 2008

Bestuursperikelen Vrije Scholen

Dit artikel is gepubliceerd
in de brochure “Van Binnen Uit” en
uitgegeven bij de officiële opening
na Vergroting en Renovatie van het
schoolgebouw van Vrije School de Regenboog
Eindhoven 14 maart 1992

Uit de school geklapt!


In deze bijdrage zal de plaats of rol van bet bestuur in onze school nader voor het voetlicht komen met name omdat deze positie als omstreden kan worden beschouwd.
In de visie van Rudolf Steiner zou een Vrije School geheel "vrij" van overheids-bemoeienis moeten zijn en zou de school geleid moeten worden door het gezamenlijke college van leerkrachten volgens het principe van volledig zelfbestuur.
R. Steiner sprak van existentiële verbondenheid van leerkrachten met de school, zoals dat ook voor een ondernemer met zijn zelf opgerichte bedrijf geldt. Het is een kwestie van je verantwoordelijk voelen voor het wel en wee van de hele school, iets wat ook de initiatiefouders bij de oprichting van een school kunnen hebben en wat hun rol in school altijd zal blijven kleuren.
Dat beleven van verbondenheid kan zo sterk of diep zijn dat het voor een ieder die in school rondloopt meteen waarneembaar is, wie de dragers van een school zijn.

Uit deze gedachte is ook de beleidsvergadering ontstaan, waarin de leerkrachten met een vaste aanstelling zitting hebben. Zij zou als hoogste orgaan binnen de school het beleid voeren en de besluiten moeten nemen.
In een ander verband heeft R. Steiner ten aanzien van de samenleving als geheel gesproken over de Sociale Driegeleding waarbij hij ervoor pleitte dat de drie levensgebieden van de maatschappij te weten het geestesleven,het rechtsleven en het economisch leven autonoom, volgens hun eigen wetmatigheden, bestuurd zouden moeten worden.
De drie begrippen die we kennen van de Franse Revolutie te weten vrijheid,
gelijkheid en broederschap horen in deze volgorde bij de drie genoemde levensgebieden.
Deze gedachte doortrekkend zou iedere organisatie,ook een school,drie organen moeten kennen:
- een bestuur als rechtsorgaan waar de besluiten genomen worden;
- een economisch orgaan waar geld en middelen beheerd worden;
- een orgaan voor het geestesleven (in de school is dat de pedagogische
vergadering waar alle leerkrachten deel van uitmaken en waar vanuit de
antroposofie en de vrije school pedagogiek gewerkt wordt).

Proberen we deze idealen naar onze tijd en situatie te verplaatsen dan ontstaat er een dilemma, want de Nederlandse overheid eist dat een school een bevoegd gezag heeft in de vorm van een Stichtingsbestuur, dat ook optreedt als werkgever.
Daarnaast is het zo dat de huidige wetgeving het nu mogelijk maakt om bestuursleden aansprakelijk te stellen voor het gevoerde beleid. Dat zou in extreme gevallen kunnen betekenen dat bestuursleden individueel aansprakelijk gesteld kunnen worden in geval van aantoonbaar (financieel) wanbeleid.
Ook is het zo dat een school bij een bepaalde omvang ook wettelijk verplicht is een medezeggenschapsraad op te richten waarin vertegenwoordigers van personeel en ouders zitting hebben.Zij hebben ook advies- en op sommige punten instemmingsrecht.
Deze situatie leidt ertoe dat het ideaal en de praktijk botsen.
Leerkrachten c.q. de beleidsvergadering hebben te maken met een bestuur dat in het verlengde van haar plichten ook haar rechten wil opeisen door mede vorm en inhoud te geven aan het schoolbeleid en zeker op het financiële en personele vlak (juridische en arbeidsrechtelijke zaken).
In dit spanningsveld ontstaat een soort van touwtrekken tussen bestuur en beleidsvergadering over taken en bevoegdheden.Los van de formele kant gaat het vooral ook om de vertrouwensrelatie tusen bestuur,eerkrachten en ouders en dat is gebaat bij openheid en transparantie over alle schoolzaken.
Daaruit is in onze school een soort van compromis ontstaan, namelijk dat bij iedere bestuursvergadering ook de voorzitter van de beleidsvergadering aanwezig is voor de onderlinge communicatie. Daarnaast is het zo dat de beleidsvergadering met beleidsvoorstellen komt die in het bestuur getoetst worden op financiële, juridische en organisatorische aspecten/randvoorwaarden en daarna definitief vastgesteld worden door bestuur en beleidsvergadering gezamenlijk.
Vanuit een andere optiek zou je kunnen zeggen dat de leerkrachten vooral uitvoerend zijn, de beleidsvergadering beleidsvoorbereidend en het bestuur meer toezichthoudend,voorwaardenscheppend, spiegelend en evaluerend is.
Je zou ook kunnen zeggen, dat leerkrachten vooral bezig zijn met de inhoud, bestuursleden vooral bezig zijn met de vorm en de procedures.
Interessant is dat R. Steiner als oprichter van de eerste Vrije School (de Waldorfschule in Stuttgart) zelf ook geen leerkracht is geweest maar een soort Bestuursfunctie vervulde.
Afgezien van dit meer principiële punt tussen je verantwoordelijk voelen (beleidsvergadering) en verantwoordelijk "gemaakt" worden (bestuur) zijn er ook allerlei praktische zaken die "bet besturen” bemoeilijken.
Zo is er de overheid die scholen bestookt met circulaires en brieven, die toch allemaal "geconsumeerd” moeten worden en zeker ook een specifieke ambtelijke deskundigheid vereisen. Daarnaast heeft een school te maken met de gemeentelijke overheid, de onderwijsinspectie, de bedrijfsvereniging, het pensioenfonds etc.
Uiteraard maak je als Vrije School ook deel uit van het landelijke Vrije School Beweging waarin je ook je stem moet laten klinken.
Deze opsomming geeft misschien aan dat een bestuurstaak daarom nogal wat tijd, inzet en "materiedeskundigheid" vraagt.
Een ander aspect is dat bestuurders vaak uit de kring van de "eigen ouders" voortkomen met als voordeel dat ze de school al kennen, maar met als nadeel dat ze niet altijd onbevooroordeeld zijn als het gaat om de klas van hún kind of die leerkracht. Zo iemand heeft als het ware twee "petten" op.
Als ouder/bestuurslid verkeer je ook in de nadelige situatie dat je niet het hele reilen en zeilen van een school op de voet kunt volgen; je bent aangewezen op signalen van anderen en incidentele eigen indrukken.
Terugkijkend op 3 jaar bestuurslidmaatschap heb ik ervaren hoe moeizaam of moeilijk het besturen feitelijk is, in die zin dat het heel veel tijd kost, dat je zeker niet alleen vrienden maakt, maar je soms zelfs gijzelaar voelt tussen ouders en leerkrachten als je pijnlijke of moeilijke onderwerpen bespreekbaar moet maken of besluiten moet meedelen. Je moet een luisterend oor bieden voor vragen en klachten en je doorzettingsvermogen wordt zwaar op de proef gesteld door vele en lange vergaderingen, besprekingen en bijeenkomsten. Bestuur en beleidsvergadering hebben altijd maximale openheid en transparantie betracht vooral naar de ouders toe. Op algemene ouderavonden aan het einde van het schooljaar werden alle nieuwe plannen, projecten gepresenteerd inclusief de financiële gezondheid van de school. Door deze openheid en transparantie groeide het onderling vertrouwen en het noodzakelijke draagvlak.
Daarnaast is het een leerschool voor vaardigheden en sociale rollen die zijn gelijke niet kent en zeker in een tijd waarin het sociale en de onderlinge verbondenheid juist zo hard nodig zijn en ontwikkeld dienen te worden.
Pas dan kunnen de woorden van R. Steiner namelijk dat een Vrije School een cultuurgemeenschap moet zijn, werkelijkheid worden!

maandag 8 september 2008

Nieuwe Bestuursstructuur Vrije Scholen

Dit artikel is verschenen op de Website van Antrovista onder de rubriek Opvoeding/Scholen vanaf 8 september 2008

Vrije Schoolbestuur professioneler!?
Enige tijd geleden zag ik op de website van Vrije Middelbare School het Novaliscollege dat de bestuursorganisatie compleet was veranderd.
Onder druk van de overheid konden middelbare en dus ook vrije scholen vanaf 1998 alleen voortbestaan als zij een bepaalde omvang hadden. Dus fuseerden het Novaliscollege uit Eindhoven met het Karel de Grote college uit Nijmegen en de Stichtse Vrije School uit Zeist. Gezamenlijk waren zij groot genoeg om de opheffingsnorm als Scholengemeenschap voor
Vmbo-t, Havo en Vwo te ontlopen.

De afzonderlijke schoolbesturen werden opgeheven en omgevormd tot een nieuw bestuur bestaande uit zes leden met van iedere school twee bestuursleden. Zij waren het bevoegd gezag van de (school) stichting en hadden de algemene leiding (beleid en financiën), terwijl de directies samen het managementteam vormden en de dagelijkse leiding hadden. Dat heette toen
“ besturen op afstand”.

Daar is nu verandering in gekomen omdat er nu een College van Bestuur en een Raad van Toezicht is. De oud-bestuursleden hebben nu zitting in de Raad van Toezicht. Deze dient het college van Bestuur te controleren en toezicht te houden op de algemene gang van zaken.
Deze constructie kennen we vooral van Hogescholen en Universiteiten.
Gek genoeg bestaat de Raad van Bestuur wel maar uit één persoon (de voormalig directeur algemene ondersteuning). Hij mag zich nu collegevoorzitter noemen. Voordeel is natuurlijk wel dat het tot snelle besluitvorming leidt.
Een vergadering beleggen met jezelf is natuurlijk niet nodig !

Feitelijk is er een hiërarchische laag bijgekomen want de schooldirecties hebben een college van bestuur (of collegevoorzitter) boven zich gekregen.
Tegelijkertijd ook een stap verder weg van het ideaal van lerarenzelfbestuur.
Wordt het bestuurs- en besluitvormingsproces daardoor ook beter of democratischer?
Wat zou de noodzaak of beweegreden voor deze gedaantewisseling zijn?

Het antwoord kwam heel toevallig via een artikel in het NRC van vrijdag 5 september.
Daar stond een verhaal van Walter Dresscher, voorzitter van de Algemene Onderwijsbond, waarin hij de minister enkele tips wilde geven voor het aanpakken van de topsalarissen in onderwijsland.
Dresscher signaleert dat “juist bij kleine scholen van pakweg 1500 leerlingen de salarissen van het bestuur er het meest op vooruit gingen als de school overstapte van een directie- naar een bestuursmodel met een collegevoorzitter en een raad van toezicht”!
De “laagvliegers” (lees:bestuurders van kleine onderwijsinstellingen) koersen nu ook richting de maximumsalarissen!
Het vrije schoolonderwijs wordt dus steeds professioneler (en duurder)!