donderdag 26 augustus 2010

Renate Riemeck in opspraak

Renate Riemeck en Ulrike Meinhof: een complexe geschiedenis.

Iedereen kent natuurlijk Ulrike Meinhof (1934-1976) van de Baader-Meinhofgruppe die ook bekend als Rote Armee Fraktion (RAF) terroristische aanslagen pleegde in Duitsland in de jaren 70 van de vorige eeuw. Zij werd later opgepakt, kreeg een lange gevangenisstraf en pleegde officieel zelfmoord. Een tragische geschiedenis ook al omdat zij een Waldorfscholiere was, een uitstekende studente en een kritisch journaliste.
Renate Riemeck (overleden in 2003) geniet geen landelijke bekendheid. Zij was antroposofisch geïnteresseerd en lid van de Christengemeenschap vanaf 1941, toen deze nog officieel verboden was. Zij werd de jongste vrouwelijke hoogleraar Geschiedenis aan de Pädagogische Hochschule Wuppertal in Duitsland en vooral bekend door haar boek “Midden europa balans van onze eeuw” (2004) en een kleiner boekje “Op zoek naar Midden europa” .
Beide boekjes worden veel gelezen door geïnteresseerden in de Sociale Driegeleding. Een bijzondere lot heeft deze mensen bij elkaar gebracht.

Pas vrij recent (zie *1) is in bredere kring bekend geworden dat Renate Riemeck een hartsvriendin van de moeder van Ulrike en haar zus Wienke is geweest. Na de dood van Ulrike’s moeder in 1949 werd zij voogd en stiefmoeder en vormden gezamenlijk een huishouding. Ulrike was toen een 15-jarige puber voor wie het verlies van haar moeder groot geweest moet zijn, zeker omdat negen jaar daarvoor ook al haar vader Werner Meinhof was overleden. De schok moet ook zeer groot zijn geweest toen ze op latere leeftijd te horen kregen wat het ideëengoed van haar vader was geweest.
Haar vader Werner Meinhof was een kunsthistoricus, maar ook omstreden omdat hij lid was van de nazipartij NSDAP. Behalve prominent lid was hij ook een van de nazi-ideologen omdat hij lezingen gaf “ter bevordering van alle soorten kunst van het Duitse ras”,
In 1936 werd hij museumdirecteur in Jena en werkte mee aan de zuivering door kunstwerken in het kader van “Entartete Kunst” te overhandigen aan een commissie ingesteld door Goebbels.

Riemeck studeerde Geschiedenis en Kunstgeschiedenis en promoveerde op een dissertatie over middeleeuwse Ketterbewegingen.
Renate Riemeck was tijdens WOII professor aan de Universiteit van Jena en assistent, net als de moeder van Ulrike Meinhof, van professor Johann von Leers.
Von Leers was een uitgesproken antisemiet en bekleedde een hoge SS functie. Hij schreef boeken als “Die Verbrechernatur der Juden” en “Odal: Das Lebensgesetz eines ewigen Deutschlands”. Na de oorlog vluchtte hij naar Egypte en overleed in 1965.
Van Riemeck is ook bekend geworden dat zij lid is geweest van de NSDAP, vanaf oktober 1941, hoewel ze zelf altijd heeft aangegeven dat zij in het ondergrondse verzet zat.
Kort voor het einde van de oorlog vluchtte Riemeck en de twee meisjes Meinhof uit Jena naar Oldenburg. Daar werd zij docente aan de Lerarenopleiding. Na de oorlog werd ze lid van de Socialistische Partei Deutschland (SPD) en in 1955 hoogleraar geschiedenis en politicologie. Riemeck werd actief pacifiste als medeoprichter van de Duitse Vredesbeweging, voerde strijd tegen Atoomwapens en streed tegen militaire dienstplicht.
In 1960 raakte zij in opspraak vanwege haar sympathieën en contacten met verdachte organisaties uit de toenmalige DDR en werd haar universitaire bevoegdheid afgenomen op gezag van de minister van Cultuur, waarna zij zelf ontslag nam.
In 1971 heeft Riemeck in een publicatie haar stiefdochter Ulrike opgeroepen om de gewapende strijd tegen de samenleving en overheid op te geven. De relatie met Ulrike was al sinds eind 1962 beëindigd nadat Ulrike het contact had verbroken.
Een soort professionele rehabilitatie kwam in 1979 toen ze opnieuw een leeropdracht kreeg in de Pedagogiek aan de Universiteit Marburg.
Men verwijt Riemeck dat ze het foute oorlogsverleden van de hele familie Meinhof en van zichzelf heeft herschreven. Dat neemt niet weg dat iedereen zelf moeten oordelen over het geschreven werk van Riemeck.

Ulrike Meinhof werd in navolging van haar stiefmoeder ook lid van de SPD maar schoof later op naar links door in 1959 illegaal lid te worden van de toen verboden Communistische Partij (KPD). Kort daarna leerde ze Klaus Röhl kennen die werkte voor het linkse blad Konkret. Meinhof ging als journaliste schrijven voor dit blad en werd later hoofdredacteur. In 1961 trouwde Ulrike met Röhl en beviel ruim een jaar later van een tweeling Regine en Bettina. In de 7e maand van de zwangerschap werd een gezwel in haar hersenen geconstateerd, dat later wel goedaardig bleek te zijn maar waarvoor toch een zware operatie nodig was. Haar dochter Bettina (*2) heeft later geschreven dat deze operatie er mogelijk voor gezorgd heeft dat haar moeder hierdoor een volledige persoonlijkheidsverandering onderging.
Velen hebben zich afgevraagd hoe een intelligente vrouw en succesvolle journaliste evolueert tot een terroriste. Met Meinhof als hoofdredacteur werd het tijdschrift Konkret een succesnummer met een oplage van 250.000 exemplaren Zij was jaren lid van de SPD, een partij die als antimilitaristisch en antifascistisch werd beschouwd. Ze raakte teleurgesteld in die partij omdat Duitsland toch weer een leger kreeg en de communistische partij verbood en zelfs contacten met de DDR al verdacht waren.
Ze voerde daarom meer buitenparlementaire oppositie en stond aan de basis van “nieuw Links”. In 1968 werd een groot Vietnamcongres gehouden waar haar goede vriend Rudi Dutschke een voordracht had gehouden. Deze overleed korte tijd later na een aanslag. In dat jaar gingen Ulrike Meinhof en Röhl ook uit elkaar.
Nadat Ulrike in 1970 op spectaculaire wijze Andreas Baader uit gevangenschap heeft weten te bevrijden, moest ze onderduiken. Baader zat een gevangenisstraf uit vanwege brandstichting in twee warenhuizen. Meinhof leefde twee jaar in de illegaliteit en radicaliseerde steeds meer, mogelijk door dit isolement. In die tijd nam Meinhof ook actief deel aan een aanslag op het hoofdkwartier van Uitgeversbedrijf Axel Springer, dat een bolwerk was van conservatisme. De telefonische bommelding vooraf deed Ulrike zelf, maar werd niet serieus genomen. Het gevolg was 17 gewonden. In juni 1972 werd Meinhof opgepakt en geplaatst in een onderzoeksprogramma van de universiteitskliniek van Homburg, waar ze als proefkonijn diende. Zo werd ze langdurig opgesloten in een donkere en geluidsgeïsoleerde ruimte. Vier jaar later werd ze dood aangetroffen in haar cel in de gevangenis van Stuttgart. De diagnose was zelfmoord door ophanging al wordt door sommigen beweerd dat ze mogelijk daarbij geholpen is. Haar linkervoet stond namelijk nog op de stoel, die normaal gesproken juist weggeschopt wordt.
Een bewogen leven dat historici nog lang zal blijven boeien.

*1. Jutta Ditfurth: Ulrike Meinhof(zie ook NRC 13 augustus 2019,boekbespreking door Elsbeth Etty)
*2. Bettina Röhl (dochter van Ulrike Meinhof) met het boek “So macht Kommunismus Spass” 2006
*3. Renate Riemeck: “Ich bin ein Mensch für mich: Aus einem unbequemen Leben” 1992

zondag 27 december 2009

Identiteit van vrijescholen

Is een missiedocument de oplossing?

In oktober van dit jaar was de eerste van drie regiobijeenkomsten waar met geïnteresseerden gesproken kon worden over de identiteit van vrijescholen mede op basis van een door het bestuur van de vereniging van vrijescholen opgestelde discussienota.
De als bijlage meegestuurde nota “project identiteit van vrijescholen” is door Annemarie Sijens opgesteld en na een aantal discussiebijeenkomsten bijgesteld.
Dit onderwerp is steeds meer van belang omdat vrijescholen in de pers steeds vaker onder vuur komen te liggen en er nu gekozen is voor een proactieve opstelling.
Sinds de Vereniging van vrijescholen met de staatssecretaris van onderwijs Mevr. Tineke Netelenbos in 1998 een overeenkomst heeft gesloten zijn alle middelbare vrijescholen verworden tot een schoolgemeenschap voor Vmbo-t, Havo en VWO. Het gevolg is ook dat reguliere examens moeten worden afgenomen en het eigen vrijeschoolleerplan steeds meer onder druk is komen te staan. Een groep kritische ouders die na tien jaar een evaluatie van dit zogenaamde project 2000 wilden houden werden hierin niet gesteund door de vereniging van vrijescholen.
In de nota komen de volgende vragen aan bod:
1. Wat verbindt en inspireert ons?
2. Hoe verwerkelijken wij de identiteit van vrijescholen?
3. Hoe realiseren we ons ideaal op aarde?

Vrijescholen of Waldorfscholen zoals ze in het buitenland worden genoemd vormen een aparte categorie in het bijzonder onderwijs waar ook andere vormen van vernieuwingsonderwijs zoals Jenaplan- , Montessori-, Freinet-,Deltaplanscholen en sinds kort Iederwijsscholen toe behoren. Rudolf Steiner heeft begin 1900 de grondslag gelegd voor deze onderwijssoort die de ontwikkeling van het kind vanuit een geesteswetenschappelijke achtergrond als uitgangspunt nam. Deze vorm van onderwijs zou alleen ontwikkelingsstof moeten bieden om het unieke individu uit te dagen en te stimuleren om naar eigen aanleg en vaardigheden tot ontwikkeling te komen. Onderwijs is daarmee een vorm van opvoedkunst en geen opvoedkunde.Steiner werkte ook vanuit de visie dat ieder kind in een notendop de gehele mensheidsontwikkeling doormaakt. Het onderwijs zou daar inhoudelijk opmoeten aansluiten.
Het vrijeschoolonderwijs spreekt ook de hele mens aan in denken, voelen en willen. Kunstzinnige vakken en ambachtelijke vaardigheden net net zo belangrijk als intellectuele vorming.
Tijdens de regiobijeenkomst die geleid werd door Jan Alfrink konden drie stellingen in werkgroepen bediscussieerd en daarna plenair teruggekoppeld worden.
De stellingen waren:
1. De identiteit van de vrijeschool kan slechts tot uitdrukking komen als het lukt om de antroposofie/geesteswetenschap zichtbaar te maken.
2. De identiteit van de vrijeschool kan alleen tot wasdom komen als de schoolbeweging ook in het onderwijsveld meer haar stem laat horen.
3. Hoe kan de identiteit van een vrije school betekenis krijgen als ze zich niet op het maatschappelijk/politieke veld beweegt.
Onder de vrij kleine groep van zo’n 20 deelnemers bevonden zich enkele leerkrachten maar vooral oud-ouders en oud-bestuursleden. Vanuit die laatste twee groepen klonk vooral een hang naar het verleden toen vrijescholen nog volop in ontwikkeling waren en veel activiteiten naar buiten organiseerden. Leerkrachten, met name uit het basisonderwijs, klaagden over de geweldig toegenomen administratieve last (bijna iedere dag moet het leerlingvolgsysteem worden bijgewerkt), de weinige ruimte die naast de verplichte les- en leerstof beschikbaar is voor ontwikkelingsstof , het overmatig toetsen en de geringe betrokkenheid bij beleid en management van de eigen school.
Daarmee werd meteen duidelijk dat een breed gedragen nota of missiedocument over de identiteit geen eind zal maken aan de dagelijkse worstelingen waar een vrijeschoolleraar mee te maken heeft . Enerzijds wil hij/zij werken aan het vrijeschool ideaal en leerplan en daarnaast moet hij/zij voldoen aan de eisen van de overheid. Dat is een onmogelijke spagaat. De overheid zou tot het besef moeten komen, indachtig het onderwijssysteem in Finland, dat het onderwijs alleen een zaak is van professionele leerkrachten, ouders en kinderen.
De overheid moet vertrouwen geven en geen wantrouwen verpakken in eisen en regels!

maandag 16 maart 2009

Vrije School in zwaar weer

Onderstaand bericht is gepubliceerd op de website Antrovista, rubriek opvoeding/scholen, vanaf 17 maart 2009






Vertrouwen komt te voet en vertrekt te paard !
Afgelopen week was de vrije school weer uitgebreid in het nieuws op Radio 1 alsook met een uitgebreid artikel in het NRC op 12 en 13 maart.
De problemen liegen er ook niet om. Allereerst een slechte kwaliteit volgens de normen van de Onderwijsinspectie. Als gevolg daarvan is de school onder curatele gesteld van de Gemeente Amsterdam en heeft de Dienst Maatschappelijke Ondersteuning(DMO) met financiële ondersteuning een interim schoolleider, Anne Veldt aangesteld die orde op zaken moet stellen. In haar plan van aanpak worden kinderen tussentijds “getoetst”en worden leerkrachten begeleidt om “resultaat-gerichter” les te geven! De problemen bestaan al veel langer want de school heeft in de afgelopen vijf jaar zeven besturen en zes directeuren versleten.
Nu lijkt echter de complete chaos uitgebroken; de algemeen directeur is door leerkrachten gedwongen om op te stappen, een bestuurslid is bedreigd en het bestuur wil onder druk van het personeel aftreden en nu zijn ook de ouders in opstand gekomen.
Tijdens een crisisberaad heeft de coördinator onderbouw Gert Hilbolling van de Vereniging van vrije scholen aangegeven dat er op korte termijn twee nieuwe directeuren en een nieuw bestuur moeten komen !
Deze oplossing zal allerminst werken zo blijkt ook wel uit de afgelopen vijf jaar en misschien moet je zelfs concluderen dat hier juist de oorzaak van de problemen ligt.
Hoe meer partijen zoals de inspectie, de gemeente Amsterdam, WMO en nu ook de vereniging van Vrije scholen zich met het onderwijs in een school gaan bemoeien hoe meer verdeeldheid en kwaliteitsverlies er op zal treden. Het basisvertrouwen is dan fundamenteel verstoord.
Een directeur die als dagtaak heeft om de school te leiden en een bestuur op afstand zijn juist de ingrediënten van grote spanningen binnen een vrije school.
De enige oplossing is een sociaal driegelede school waar lerarenzelfbestuur en een mandatenorganisatie de uitgangsprincipes zijn, zoals R.Steiner het ook heeft aangegeven. Daarmee kun je het noodzakelijke fundament van vertrouwen weer opbouwen.
Juist deze school weet dat ook want zij hebben 25 jaar geleden (maart 1984) een jubileum-uitgave uitgegeven getiteld: "De mandatenorganisatie in de Geert Groote School" en als subtitel "Leraren-zelfbestuur, een organisatievorm met toekomst!". De auteur was Christoph Andersen. De publicatie was het resultaat van 12 jaar experimenteren op school!
We mogen hopen dat deze toekomst inmiddels aangebroken is.

maandag 15 december 2008

Meer vrijheid voor Onderwijs?

Voorstellen voor verbetering Onderwijs

De afgelopen week was het onderwijs op meerdere manieren in de actualiteit.
Eerst was er het voorstel van minister Plasterk, waarin hij ervoor pleit dat de schoolkeuze voor kinderen na de basisschool láter plaatsvindt.
"We selecteren nu te vroeg, waardoor we talent verspelen. Want als je eenmaal op het vmbo begint, maar toch genoeg in je mars hebt om de universiteit te halen, wordt de lange route via het mbo en hbo haast onvermijdelijk", aldus de minister.
Helaas kreeg hij weinig bijval van het kabinet en het parlement.
In de Volkskrant deden Rinnooy Kan en Louise Fresco (voorzitter en lid van de SER) een oproep voor een tweede schoolstrijd . Een aardig idee maar in hun uitwerking niet echt vernieuwend, zoals ook in het webtijdschrift van Ton Jansen (http://www.mens-en-wereld.nl/, zie artikel van 15 dec. j.l.), duidelijk uit de doeken wordt gedaan.



Het beste voorstel dat wel meteen steun kreeg vanuit de regering en het parlement was het voorstel van de Raad voor het Primair Onderwijs (PO-raad) om de Cito-toets bij kinderen in groep 8 van de basisschool niet in februari maar in juni te gaan afnemen. Groot voordeel is dat daarmee het schooladvies van de leerkracht doorslaggevend gaat worden bij de keuze van het vervolgonderwijs.
De Cito-uitslag verwordt dan tot slechts een “second opinion”!

maandag 1 december 2008

Schaalgrootte en Onderwijs

Nma toetst Schoolgrootte

Jarenlang heeft de overheid schaalvergroting in het onderwijs gepropageerd en financieel gestimuleerd vanwege de organisatorische en economische schaalvoordelen die dat zou opleveren. Het was zo vanzelfsprekend dat niemand eraan durfde twijfelen.
Eind jaren tachtig was er een delegatie van Onderwijsambtenaren uit Rusland op werkbezoek in Nederland. Zij lieten zich informeren over de ontwikkelingen op onderwijsgebied. Toen echter het onderwerp schaalgrootte aan de orde kwam stelde de delegatie een paar kritische vragen en verwees naar de praktijk in Rusland waar de zeer grote mammoetscholen veel problemen opleverden.
Kennelijk is dat nu ook doorgedrongen in Nederland en heeft de Onderwijsraad een advies opgesteld eind novemer 2008, dat nu ook door het kabinet is overgenomen, om nieuwe fusies te laten toetsen door de Nederlandse Mededingingsautoriteit( Nma).
In sommige gemeenten (Maastricht, Venlo en Deventer) vallen alle middelbare scholen onder hetzelfde schoolbestuur. Zo’n bestuurlijk monopolie wordt als ongewenst beschouwd, omdat er voor ouders vrijwel niets meer te kiezen valt en schoolbesturen te ver afstaan van ouders en leerkrachten wat de medezeggenschap moeilijker maakt.
Bij kwaliteit van onderwijs gaat het juist om andere zaken dan puur economische factoren en meerdere onderzoeken hebben uitgewezen dat kleinere scholen juist een hogere kwaliteit leveren dan grote scholen.Het Finse onderwijssysteem zonder centrale examens en grote autonomie voor de scholen zelf blijkt de beste kwaliteit op te leveren getuige de resultaten van Pisa-(Europese vergelijking leerlingen niveau) onderzoeken.
Toetsing is echter pas nodig bij fusies waarbij de nieuwe organisatie meer dan 2500 leerlingen basisonderwijs gaat omvatten, of meer dan 5000 scholieren voor het voortgezet onderwijs, meer dan 10000 in het middelbaar beroepsonderwijs en meer dan 20000 studenten in het hoger onderwijs! Dat is niet echt kleinschalig, dus de vraag is of deze grenzen ingegeven zijn door kwaliteitseisen of bestuurlijke pragmatiek?!

dinsdag 16 september 2008

Bestuursperikelen Vrije Scholen

Dit artikel is gepubliceerd
in de brochure “Van Binnen Uit” en
uitgegeven bij de officiële opening
na Vergroting en Renovatie van het
schoolgebouw van Vrije School de Regenboog
Eindhoven 14 maart 1992

Uit de school geklapt!


In deze bijdrage zal de plaats of rol van bet bestuur in onze school nader voor het voetlicht komen met name omdat deze positie als omstreden kan worden beschouwd.
In de visie van Rudolf Steiner zou een Vrije School geheel "vrij" van overheids-bemoeienis moeten zijn en zou de school geleid moeten worden door het gezamenlijke college van leerkrachten volgens het principe van volledig zelfbestuur.
R. Steiner sprak van existentiële verbondenheid van leerkrachten met de school, zoals dat ook voor een ondernemer met zijn zelf opgerichte bedrijf geldt. Het is een kwestie van je verantwoordelijk voelen voor het wel en wee van de hele school, iets wat ook de initiatiefouders bij de oprichting van een school kunnen hebben en wat hun rol in school altijd zal blijven kleuren.
Dat beleven van verbondenheid kan zo sterk of diep zijn dat het voor een ieder die in school rondloopt meteen waarneembaar is, wie de dragers van een school zijn.

Uit deze gedachte is ook de beleidsvergadering ontstaan, waarin de leerkrachten met een vaste aanstelling zitting hebben. Zij zou als hoogste orgaan binnen de school het beleid voeren en de besluiten moeten nemen.
In een ander verband heeft R. Steiner ten aanzien van de samenleving als geheel gesproken over de Sociale Driegeleding waarbij hij ervoor pleitte dat de drie levensgebieden van de maatschappij te weten het geestesleven,het rechtsleven en het economisch leven autonoom, volgens hun eigen wetmatigheden, bestuurd zouden moeten worden.
De drie begrippen die we kennen van de Franse Revolutie te weten vrijheid,
gelijkheid en broederschap horen in deze volgorde bij de drie genoemde levensgebieden.
Deze gedachte doortrekkend zou iedere organisatie,ook een school,drie organen moeten kennen:
- een bestuur als rechtsorgaan waar de besluiten genomen worden;
- een economisch orgaan waar geld en middelen beheerd worden;
- een orgaan voor het geestesleven (in de school is dat de pedagogische
vergadering waar alle leerkrachten deel van uitmaken en waar vanuit de
antroposofie en de vrije school pedagogiek gewerkt wordt).

Proberen we deze idealen naar onze tijd en situatie te verplaatsen dan ontstaat er een dilemma, want de Nederlandse overheid eist dat een school een bevoegd gezag heeft in de vorm van een Stichtingsbestuur, dat ook optreedt als werkgever.
Daarnaast is het zo dat de huidige wetgeving het nu mogelijk maakt om bestuursleden aansprakelijk te stellen voor het gevoerde beleid. Dat zou in extreme gevallen kunnen betekenen dat bestuursleden individueel aansprakelijk gesteld kunnen worden in geval van aantoonbaar (financieel) wanbeleid.
Ook is het zo dat een school bij een bepaalde omvang ook wettelijk verplicht is een medezeggenschapsraad op te richten waarin vertegenwoordigers van personeel en ouders zitting hebben.Zij hebben ook advies- en op sommige punten instemmingsrecht.
Deze situatie leidt ertoe dat het ideaal en de praktijk botsen.
Leerkrachten c.q. de beleidsvergadering hebben te maken met een bestuur dat in het verlengde van haar plichten ook haar rechten wil opeisen door mede vorm en inhoud te geven aan het schoolbeleid en zeker op het financiële en personele vlak (juridische en arbeidsrechtelijke zaken).
In dit spanningsveld ontstaat een soort van touwtrekken tussen bestuur en beleidsvergadering over taken en bevoegdheden.Los van de formele kant gaat het vooral ook om de vertrouwensrelatie tusen bestuur,eerkrachten en ouders en dat is gebaat bij openheid en transparantie over alle schoolzaken.
Daaruit is in onze school een soort van compromis ontstaan, namelijk dat bij iedere bestuursvergadering ook de voorzitter van de beleidsvergadering aanwezig is voor de onderlinge communicatie. Daarnaast is het zo dat de beleidsvergadering met beleidsvoorstellen komt die in het bestuur getoetst worden op financiële, juridische en organisatorische aspecten/randvoorwaarden en daarna definitief vastgesteld worden door bestuur en beleidsvergadering gezamenlijk.
Vanuit een andere optiek zou je kunnen zeggen dat de leerkrachten vooral uitvoerend zijn, de beleidsvergadering beleidsvoorbereidend en het bestuur meer toezichthoudend,voorwaardenscheppend, spiegelend en evaluerend is.
Je zou ook kunnen zeggen, dat leerkrachten vooral bezig zijn met de inhoud, bestuursleden vooral bezig zijn met de vorm en de procedures.
Interessant is dat R. Steiner als oprichter van de eerste Vrije School (de Waldorfschule in Stuttgart) zelf ook geen leerkracht is geweest maar een soort Bestuursfunctie vervulde.
Afgezien van dit meer principiële punt tussen je verantwoordelijk voelen (beleidsvergadering) en verantwoordelijk "gemaakt" worden (bestuur) zijn er ook allerlei praktische zaken die "bet besturen” bemoeilijken.
Zo is er de overheid die scholen bestookt met circulaires en brieven, die toch allemaal "geconsumeerd” moeten worden en zeker ook een specifieke ambtelijke deskundigheid vereisen. Daarnaast heeft een school te maken met de gemeentelijke overheid, de onderwijsinspectie, de bedrijfsvereniging, het pensioenfonds etc.
Uiteraard maak je als Vrije School ook deel uit van het landelijke Vrije School Beweging waarin je ook je stem moet laten klinken.
Deze opsomming geeft misschien aan dat een bestuurstaak daarom nogal wat tijd, inzet en "materiedeskundigheid" vraagt.
Een ander aspect is dat bestuurders vaak uit de kring van de "eigen ouders" voortkomen met als voordeel dat ze de school al kennen, maar met als nadeel dat ze niet altijd onbevooroordeeld zijn als het gaat om de klas van hún kind of die leerkracht. Zo iemand heeft als het ware twee "petten" op.
Als ouder/bestuurslid verkeer je ook in de nadelige situatie dat je niet het hele reilen en zeilen van een school op de voet kunt volgen; je bent aangewezen op signalen van anderen en incidentele eigen indrukken.
Terugkijkend op 3 jaar bestuurslidmaatschap heb ik ervaren hoe moeizaam of moeilijk het besturen feitelijk is, in die zin dat het heel veel tijd kost, dat je zeker niet alleen vrienden maakt, maar je soms zelfs gijzelaar voelt tussen ouders en leerkrachten als je pijnlijke of moeilijke onderwerpen bespreekbaar moet maken of besluiten moet meedelen. Je moet een luisterend oor bieden voor vragen en klachten en je doorzettingsvermogen wordt zwaar op de proef gesteld door vele en lange vergaderingen, besprekingen en bijeenkomsten. Bestuur en beleidsvergadering hebben altijd maximale openheid en transparantie betracht vooral naar de ouders toe. Op algemene ouderavonden aan het einde van het schooljaar werden alle nieuwe plannen, projecten gepresenteerd inclusief de financiële gezondheid van de school. Door deze openheid en transparantie groeide het onderling vertrouwen en het noodzakelijke draagvlak.
Daarnaast is het een leerschool voor vaardigheden en sociale rollen die zijn gelijke niet kent en zeker in een tijd waarin het sociale en de onderlinge verbondenheid juist zo hard nodig zijn en ontwikkeld dienen te worden.
Pas dan kunnen de woorden van R. Steiner namelijk dat een Vrije School een cultuurgemeenschap moet zijn, werkelijkheid worden!

maandag 8 september 2008

Nieuwe Bestuursstructuur Vrije Scholen

Dit artikel is verschenen op de Website van Antrovista onder de rubriek Opvoeding/Scholen vanaf 8 september 2008

Vrije Schoolbestuur professioneler!?
Enige tijd geleden zag ik op de website van Vrije Middelbare School het Novaliscollege dat de bestuursorganisatie compleet was veranderd.
Onder druk van de overheid konden middelbare en dus ook vrije scholen vanaf 1998 alleen voortbestaan als zij een bepaalde omvang hadden. Dus fuseerden het Novaliscollege uit Eindhoven met het Karel de Grote college uit Nijmegen en de Stichtse Vrije School uit Zeist. Gezamenlijk waren zij groot genoeg om de opheffingsnorm als Scholengemeenschap voor
Vmbo-t, Havo en Vwo te ontlopen.

De afzonderlijke schoolbesturen werden opgeheven en omgevormd tot een nieuw bestuur bestaande uit zes leden met van iedere school twee bestuursleden. Zij waren het bevoegd gezag van de (school) stichting en hadden de algemene leiding (beleid en financiën), terwijl de directies samen het managementteam vormden en de dagelijkse leiding hadden. Dat heette toen
“ besturen op afstand”.

Daar is nu verandering in gekomen omdat er nu een College van Bestuur en een Raad van Toezicht is. De oud-bestuursleden hebben nu zitting in de Raad van Toezicht. Deze dient het college van Bestuur te controleren en toezicht te houden op de algemene gang van zaken.
Deze constructie kennen we vooral van Hogescholen en Universiteiten.
Gek genoeg bestaat de Raad van Bestuur wel maar uit één persoon (de voormalig directeur algemene ondersteuning). Hij mag zich nu collegevoorzitter noemen. Voordeel is natuurlijk wel dat het tot snelle besluitvorming leidt.
Een vergadering beleggen met jezelf is natuurlijk niet nodig !

Feitelijk is er een hiërarchische laag bijgekomen want de schooldirecties hebben een college van bestuur (of collegevoorzitter) boven zich gekregen.
Tegelijkertijd ook een stap verder weg van het ideaal van lerarenzelfbestuur.
Wordt het bestuurs- en besluitvormingsproces daardoor ook beter of democratischer?
Wat zou de noodzaak of beweegreden voor deze gedaantewisseling zijn?

Het antwoord kwam heel toevallig via een artikel in het NRC van vrijdag 5 september.
Daar stond een verhaal van Walter Dresscher, voorzitter van de Algemene Onderwijsbond, waarin hij de minister enkele tips wilde geven voor het aanpakken van de topsalarissen in onderwijsland.
Dresscher signaleert dat “juist bij kleine scholen van pakweg 1500 leerlingen de salarissen van het bestuur er het meest op vooruit gingen als de school overstapte van een directie- naar een bestuursmodel met een collegevoorzitter en een raad van toezicht”!
De “laagvliegers” (lees:bestuurders van kleine onderwijsinstellingen) koersen nu ook richting de maximumsalarissen!
Het vrije schoolonderwijs wordt dus steeds professioneler (en duurder)!